Periode 4
Hoofdstuk 2: Soorten en relaties
- Biotische factoren= invloeden van levende organismen die het gewas beïnvloeden, zoals
wormpjes en vogels.
- Abiotische factoren= invloeden van niet levende organisme die de groei van het gewas
beïnvloeden, zoals temperatuur en hoeveelheid regen
Tolerantiegebied= een reeks abiotische factoren die een maximum en minimum vormen waarbij een
soort kan overleven.
- Bij de optimumwaarde vind je de meeste aantallen van een soort. ( zie bron 1 voor grafiek)
Wetenschappelijke naam maak je door:
1. Het geslacht waar het organisme toebehoort (met hoofdletter)
2. Daarna de soort waar het organisme toebehoort ( met kleine letter)
a. Een soort is een groep organisme die zich onderling geslachtelijk voortplanten en
vruchtbare nakomeling kunnen krijgen
Er bestaat ook een systeem van ordening, waarin je alle soorten kunt toevoegen.
Hij plaatste het in steeds grotere groepen:
Organismen — soorten — geslachten — families — orden (zie bron 3, blz 44)
- Monoculturen= 1 grote akker met 1 soort gewas. Dit is voordelig doordat:
o Makkelijk te zaaien en oosten
o Minder arbeidskosten
o Er kan precisie landbouw toegepast worden
Nadeel van een monocultuur is als er een plaag komt, die kunnen zo ongehinderd van ene plant naar
de ander overspringen.
Soorten die door toedoen van de mens nieuw zijn binnengekomen noemen we: Exoten.
- Exoten hebben vaak geen natuurlijke vijanden en moeten dus door chemische bestrijding
bestrijd worden, anders kan het een plaag worden.
Organisme die een kloon van elkaar zijn, zijn door ongeslachtelijke voortplanting ontstaan. Denk
hierbij aan een aardappel.
- Ze hebben hierdoor dezelfde eigenschappen.
Weefselkweek= in een laboratorium plantjes kweken die uit een paar cellen komen. Ze zijn dan
identiek aan de ouderplant en elkaar.
- Een nadeel is, dat als een biotische factor verandert alle planten in 1 keer dood kunnen gaan.
Populatie= alle organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied.
- Populatiegrootte= het aantal individuen van de populatie.
- Populatiedichtheid= het aantal individuen per oppervlakte- of volume- eenheid.