Naam
Studentnummer
Klas
Docent
Vak Gehandicaptenzorg
,Inhoudsopgave
Module Gehandicaptenzorg....................................................................................i
Opdracht 1: Zorgvragers in de gehandicaptenzorg........................................................1
§1.1 Noem de verschillen tussen een stoornis, handicap en beperking...............1
§1.2 Welke vormen van beperking heb je?...........................................................4
§1.3 Welke indeling van niveaus heb je bij een verstandelijke beperking?..........5
Opdracht 3. Beschrijven kenmerken licht, matig en ernstig meervoudige beperking. .8
§3.1 Mensen met een licht verstandelijke beperking............................................8
§3.2 Mensen met een matige verstandelijke beperking.......................................9
§3.3 Mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke beperking.........................10
Opdracht 4: Syndromen en hun symptomen...............................................................11
§4.1 Beantwoord de volgende vragen naar eigen inzicht:..................................11
§4.2 Werk 5 syndromen uit..................................................................................13
§4.2.1 Syndroom van Down.................................................................................13
§4.2.2 Autismespectrumstoornissen (ASS)..........................................................14
§4.2.3 Het Syndroom van Turner.........................................................................15
§4.2.4 Het Prader-Willi Syndroom.......................................................................16
§4.2.5 Het Cornelia de Lange syndroom..............................................................17
Opdracht 5: Ethisch dilemma.......................................................................................19
Opdracht 6: Meervoudige beperking...........................................................................20
Opdracht 7: Hulpmiddelen in de gehandicaptenzorg..................................................22
§7.1 Wat zijn hulpmiddelen?...............................................................................22
§7.2 Wat zijn prothesen en orthesen?.................................................................22
§7.3 Noem een aantal hulpmiddelen voor mobiliteit..........................................23
§7.4 Beschrijf een innovatief hulpmiddel die de laatste jaren is ontwikkeld......24
§7.5 Waar kun je deze voor gebruiken?..............................................................24
, §7.6 Waarom is deze innovatief?.........................................................................24
§7.7 Beschrijf hoe het eerder ging, zonder dit hulpmiddel.................................25
Bronnenlijst..................................................................................................................25