- Koolhydraten stimuleren het snelle werk van de hersenen en activeren de
spierbewegingen.
Melk geeft wel veel koolhydraten, maar helemaal geen vezels. Alle planten
bieden genoeg koolhydraten, dan hebben we het over:
Granen
Groenten
Peulvruchten
Fruit
4.1 The chemist’s view of carbohydrates
Koolhydraten zijn:
Monosacchariden: enkele suikers
Disacchariden: dubbele suikers, paren, van 2 monosacchariden
Polysacchariden: veelzijdige suikers, ketens van monosacchariden
Monosacchariden en Disacchariden zijn de suikers van koolhydraten. Deze
worden ook wel de simpele koolhydraten genoemd. Polysacchariden zijn zetmeel
en de vezels en deze worden ook wel de complexe koolhydraten genoemd.
De belangrijkste monosacchariden uit koolhydraten:
Glucose,
- wordt gezien als bloedsuiker, het geeft essentiële energie voor het
lichaam, de betekenis van glucose voor het lichaam is erg groot.
Fructose
- dit is de zoetste van de suikers. Het stimuleert de smaak pupillen in
de tong en zorgt voor een overheersende zoete smaak.
Galactose
- wordt af en toe in kleine hoeveelheden gebruikt ik natuurlijk
voedsel.
De disacchariden van koolhydraten:
Maltose: glucose + glucose
- wordt gemaakt wanneer zetmeel afgebroken wordt. Dit wordt niet bij
alle spijsverteringsacties gebruikt, maar bij een aantal
voedingsmiddelen.
Sucrose: glucose + fructose
- dit is de zoetste van de disacchariden. Het zit in natuurlijke
producten zoals fruit, groenten en granen.
Lactose: glucose + galactose
- het is de koolhydraat van melk.
, Monosacchariden
- De 3 zijn het meest belangrijk in de voeding. Het heeft allemaal 6 koolstof
atomen, 12 waterstof atomen en 6 zuurstof atomen. De kleine verschillen zorgen
voor een andere zoetheid van de suiker (smaak).
Disacchariden
- Er vormen twee reacties vanuit de koolhydraten. Condensation
(condensatie) en Hydrolyse.
Bij condensatie worden de disacchariden gevormd en bij hydrolyse worden
de dissacchariden afgebroken door middel van water.
Polysacchariden
- een aantal verschillende sacchariden zitten hier gespannen bij elkaar. Er
zijn 3 verschillende types van Polysacchariden die belangrijk zijn voor de
voeding:
Glycogeen
- komt uit het een beperkt aantal vleessoorten en helemaal niet uit
planten. (glycogeen in spieren van dieren hydrolyse heel snel na het
slachten). Het zorgt ervoor dat glucose wordt opgeslagen. Hier zitten
veel glucose aan elkaar.
Zetmeel
- komt uit planten. Dit zijn ook veel glucose formules aan elkaar. Het
zit in verschillende granen, aardappels, peulvruchten zoals bonen.
Vezels
- komen uit de stengels, wortels, schors, bladeren van planten en
natuurlijk granen. De verbindingen in vezels kunnen niet afgebroken
worden door spijsverteringsenzymen. Daarom worden ze vaak niet
afbreekbare koolhydraten genoemd. Ze komen geheel in het lichaam en
geven daarom weinig energie.
Verschillende soorten vezels:
- Soluble fibres: Oplosbare vezels
- deze vezels worden gesplitst door water van gels waardoor ze
makkelijker verteerbaar zijn door de bacteriën.
- beschermen voor hartkwalen en diabetes.
- het zit vooral in haver, gerst en citrusvruchten
- Insoluble fibres: Onoplosbare vezels
- kunnen niet door water gesplits worden van de gels en zijn
moeilijk verteerbaar.
- het zit vooral in volkorengranen en groenten
- het zorgt voor een goede darmfunctie.
Functional fibres: functionele vezels
- wanneer men het uit planten haalt en het in een bepaald voedingsmiddel
stopt heet het zo.