Maatschappijwetenschappen
Sociale veranderingen in het bindingsvraagstuk
Door de opkomst van staten was binding er wel in politieke vorm, maar aan sociale binding ontbrak nog veel.
8.2 Analyse: Sociale cohesie, cultuur en sociale institutie
Sociale cohesie
“Het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het
gevoel een groep te zijn, lid van een gemeenschap te zijn, verantwoordelijkheid voelen voor elkaars welzijn en
een beroep op anderen kunnen doen.”
- Religie was belangrijk in de 16e eeuw. Het zorgde voor sociale cohesie; mensen volden zich verbonden,
een groep, lid van een gemeenschap.
- Sociale cohesie is een soort bindmiddel/lijm van de samenleving; doordat mensen iets met elkaar
delen (binding hebben) zijn er minder conflicten. Het zorgt ervoor dat de samenleving niet allemaal
losse actoren is.
- In de ene samenleving is het meer aanwezig dan de andere.
- In de 16e eeuw was de cohesie op basis van religie zó sterk dat het leed tot conflicten tussen de
groepen. Sterke sociale cohesie binnen een groep zorgt ervoor dat de cohesie in groter verband
verzwakt.
Cultuur
“Het geheel worden van voorstellingen, opvattingen, uitdrukkingsvormen, waarden en normen die mensen als
lid van een groep of samenleving verworven hebben.” (vouwen)
- Religie zorgt voor binding bij een groep mensen. Deze affectie binding komt voor een belangrijk deel
tot stand omdat mensen dezelfde normen en waarden met elkaar delen.
- Godsdienstvrijheid, eerder tolerantie want veel kerken waren openbaar niet toegestaan.
- Religie heeft ook veel invloed gehad op samenlevingen in Europa. Veel wetgeving op het terrein van
familie komt voort uit het christendom. Regels rondom huwelijk, geboorte en dood zijn vaak afkomstig
van Chr. normen.
- polygamie, meerdere vrouwen, is in sommige samenlevingen een norm)
Sociale institutie
“complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties
reguleren.”
- Het gedrag van mensen in het ‘sociale leven’ kent net zoals in het ‘politieke leven’ regels. Hiervoor zijn
sociale instituties.
- Christelijke normen rond geboorte, huwelijk en dood hebben invloed gehad op de Europese
wetgeving, maar zijn op zichzelf sociale instituties die passen in hun cultuur.
- Je trouwde bv. niet met iemand van een ander geloof. Dat was de norm binnen het grotere geheel van
de sociale institutie huwelijk. De katholieke norm dat mensen die zichzelf van het leven niet op een
katholieke begraafplaats mochten worden begraven hoort bij het grotere geheel van regels rondom de
dood.
- Huwelijk, onderwijs en bv taal zijn ook sociale instituties.
- Een sociale institutie is een aanvaarde set van normen rondom een bepaald aspect van het
samenleven van mensen. Ze bestaan vaak al lang en veranderen niet zo snel. (zwartepietendebat;
cultuur verandert niet opeens)
- Instituties hebben daarmee een eigen ‘realiteit’, werkelijkheid. Iemand kan niet opeens een institutie
veranderen, omdat dit een deel van de cultuur is en via socialisatie overgedragen. Ze zitten helemaal
in een samenleving en veranderingen hebben langere tijd nodig.
, 8.3 Paradigma’s over sociale cohesie
Functionalisme-paradigma “nadruk op structuren in de samenleving, menselijk lichaam met organen”
Voor het voortbestaan van de samenleving is sociale cohesie noodzakelijk om te functioneren.
Emile Durkheim -> Groepen zijn essentieel:
- Mensen zijn niet alleen een individu, maar horen ook bij groepen: collectieve bewustzijn. Dit is
structureel aanwezig in de samenleving. Bv: religie, gezin, familie..
- Groepen hebben een functie voor de samenleving: ze zorgen dat de samenleving bij elkaar blijft
(binding).
- Volgens het functionalisme zijn bindingen de kern van de samenleving.
- Sociale Cohesie neemt toe als:
een samenleving een dominante cultuur heeft met gemeenschappelijke waarden en normen
mensen eerder geneigd zijn die waarden en normen goed na te leven als zij goed geïntegreerd
zijn in groepen (gezinnen, families, kerken)
Conflict-paradigma Ongelijkheid in macht is de motor van de samenleving. Conflicten leiden tot verandering.
Afwezigheid van sociale cohesie staat centraal, veroorzaakt sociale ongelijkheid. Conflicten zijn hier gevolgen
van.
Er is een dominante cultuur (veel macht), maar sommige groepen hangen deze niet aan. Hierdoor ontstaan
subculturen en tegenculturen (minder macht). Ze hebben tegengestelde belangen van de dominante cultuur.
Theodor Adorno:
- De cultuurindustrie is een middel om mensen gelijkvormig en onderdanig te houden. Middel van de
dominante cultuur dus. Gebrek aan sociale cohesie.
- De cultuurindustrie zou allerlei valse behoeftes creëren (reclame), die de kapitalistische bedrijven
vervullen met hun aanbod. Mensen denken dan dat ze zelf vrij zijn om te kiezen maar eigenlijk kunnen
ze alleen maar kiezen uit variaties wat eigenlijk hetzelfde is.
- Zo kunnen subculturen denken dat ze zich onderscheiden van de dominante cultuur, terwijl eigenlijk
de hele samenleving ten dienste staat van de dominante cultuur.
- De hele samenleving volgt de dominante cultuur. Sociale cohesie is dus uitzonderlijk of een vals idee
dat mensen aangeleerd krijgen.
Sociaalconstructivisme-paradigma gedrag wordt bepaald door hoe mensen de werkelijkheid zien. Die
kan ter verloop van tijd veranderen door invloed van mensen.
Naast objectieve indicatoren van sociale cohesie zijn ook subjectieve gegevens belangrijk: gevoelens van
actoren en hoe ze naar hun eigen (persoonlijke) identiteit kijken.
Hoe wordt de onderlinge samenhang en betrokkenheid (bindingen) in de samenleving waargenomen, ervaren
en gewaardeerd?
Meervoudige identiteit (multiple identity); een dynamische, meervoudige en wisselende identificatie met
verschillende groepen of personen.
Iemand doet zich in de ene situatie anders voor dan in de andere. School vs. Sportclub. Probleem: als deze
twee groepen bv op een verjaardagsfeest bij elkaar komen.
Grens tussen sociale en persoonlijke identiteit. Waar houdt het individu op en begint de groep?
Tegenwoordig is in NL familie vaak een groep die niet altijd past bij individuele opvattingen en gedragingen,
maar in traditionele culturen was de band met de familie zo sterk verbonden met de persoonlijke identiteit dat
er geen verschil mag zijn. De grens tussen individu is dus vager dan in een moderne samenleving. “IK” is een
modern woord.
Sociale veranderingen in het bindingsvraagstuk
Door de opkomst van staten was binding er wel in politieke vorm, maar aan sociale binding ontbrak nog veel.
8.2 Analyse: Sociale cohesie, cultuur en sociale institutie
Sociale cohesie
“Het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het
gevoel een groep te zijn, lid van een gemeenschap te zijn, verantwoordelijkheid voelen voor elkaars welzijn en
een beroep op anderen kunnen doen.”
- Religie was belangrijk in de 16e eeuw. Het zorgde voor sociale cohesie; mensen volden zich verbonden,
een groep, lid van een gemeenschap.
- Sociale cohesie is een soort bindmiddel/lijm van de samenleving; doordat mensen iets met elkaar
delen (binding hebben) zijn er minder conflicten. Het zorgt ervoor dat de samenleving niet allemaal
losse actoren is.
- In de ene samenleving is het meer aanwezig dan de andere.
- In de 16e eeuw was de cohesie op basis van religie zó sterk dat het leed tot conflicten tussen de
groepen. Sterke sociale cohesie binnen een groep zorgt ervoor dat de cohesie in groter verband
verzwakt.
Cultuur
“Het geheel worden van voorstellingen, opvattingen, uitdrukkingsvormen, waarden en normen die mensen als
lid van een groep of samenleving verworven hebben.” (vouwen)
- Religie zorgt voor binding bij een groep mensen. Deze affectie binding komt voor een belangrijk deel
tot stand omdat mensen dezelfde normen en waarden met elkaar delen.
- Godsdienstvrijheid, eerder tolerantie want veel kerken waren openbaar niet toegestaan.
- Religie heeft ook veel invloed gehad op samenlevingen in Europa. Veel wetgeving op het terrein van
familie komt voort uit het christendom. Regels rondom huwelijk, geboorte en dood zijn vaak afkomstig
van Chr. normen.
- polygamie, meerdere vrouwen, is in sommige samenlevingen een norm)
Sociale institutie
“complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties
reguleren.”
- Het gedrag van mensen in het ‘sociale leven’ kent net zoals in het ‘politieke leven’ regels. Hiervoor zijn
sociale instituties.
- Christelijke normen rond geboorte, huwelijk en dood hebben invloed gehad op de Europese
wetgeving, maar zijn op zichzelf sociale instituties die passen in hun cultuur.
- Je trouwde bv. niet met iemand van een ander geloof. Dat was de norm binnen het grotere geheel van
de sociale institutie huwelijk. De katholieke norm dat mensen die zichzelf van het leven niet op een
katholieke begraafplaats mochten worden begraven hoort bij het grotere geheel van regels rondom de
dood.
- Huwelijk, onderwijs en bv taal zijn ook sociale instituties.
- Een sociale institutie is een aanvaarde set van normen rondom een bepaald aspect van het
samenleven van mensen. Ze bestaan vaak al lang en veranderen niet zo snel. (zwartepietendebat;
cultuur verandert niet opeens)
- Instituties hebben daarmee een eigen ‘realiteit’, werkelijkheid. Iemand kan niet opeens een institutie
veranderen, omdat dit een deel van de cultuur is en via socialisatie overgedragen. Ze zitten helemaal
in een samenleving en veranderingen hebben langere tijd nodig.
, 8.3 Paradigma’s over sociale cohesie
Functionalisme-paradigma “nadruk op structuren in de samenleving, menselijk lichaam met organen”
Voor het voortbestaan van de samenleving is sociale cohesie noodzakelijk om te functioneren.
Emile Durkheim -> Groepen zijn essentieel:
- Mensen zijn niet alleen een individu, maar horen ook bij groepen: collectieve bewustzijn. Dit is
structureel aanwezig in de samenleving. Bv: religie, gezin, familie..
- Groepen hebben een functie voor de samenleving: ze zorgen dat de samenleving bij elkaar blijft
(binding).
- Volgens het functionalisme zijn bindingen de kern van de samenleving.
- Sociale Cohesie neemt toe als:
een samenleving een dominante cultuur heeft met gemeenschappelijke waarden en normen
mensen eerder geneigd zijn die waarden en normen goed na te leven als zij goed geïntegreerd
zijn in groepen (gezinnen, families, kerken)
Conflict-paradigma Ongelijkheid in macht is de motor van de samenleving. Conflicten leiden tot verandering.
Afwezigheid van sociale cohesie staat centraal, veroorzaakt sociale ongelijkheid. Conflicten zijn hier gevolgen
van.
Er is een dominante cultuur (veel macht), maar sommige groepen hangen deze niet aan. Hierdoor ontstaan
subculturen en tegenculturen (minder macht). Ze hebben tegengestelde belangen van de dominante cultuur.
Theodor Adorno:
- De cultuurindustrie is een middel om mensen gelijkvormig en onderdanig te houden. Middel van de
dominante cultuur dus. Gebrek aan sociale cohesie.
- De cultuurindustrie zou allerlei valse behoeftes creëren (reclame), die de kapitalistische bedrijven
vervullen met hun aanbod. Mensen denken dan dat ze zelf vrij zijn om te kiezen maar eigenlijk kunnen
ze alleen maar kiezen uit variaties wat eigenlijk hetzelfde is.
- Zo kunnen subculturen denken dat ze zich onderscheiden van de dominante cultuur, terwijl eigenlijk
de hele samenleving ten dienste staat van de dominante cultuur.
- De hele samenleving volgt de dominante cultuur. Sociale cohesie is dus uitzonderlijk of een vals idee
dat mensen aangeleerd krijgen.
Sociaalconstructivisme-paradigma gedrag wordt bepaald door hoe mensen de werkelijkheid zien. Die
kan ter verloop van tijd veranderen door invloed van mensen.
Naast objectieve indicatoren van sociale cohesie zijn ook subjectieve gegevens belangrijk: gevoelens van
actoren en hoe ze naar hun eigen (persoonlijke) identiteit kijken.
Hoe wordt de onderlinge samenhang en betrokkenheid (bindingen) in de samenleving waargenomen, ervaren
en gewaardeerd?
Meervoudige identiteit (multiple identity); een dynamische, meervoudige en wisselende identificatie met
verschillende groepen of personen.
Iemand doet zich in de ene situatie anders voor dan in de andere. School vs. Sportclub. Probleem: als deze
twee groepen bv op een verjaardagsfeest bij elkaar komen.
Grens tussen sociale en persoonlijke identiteit. Waar houdt het individu op en begint de groep?
Tegenwoordig is in NL familie vaak een groep die niet altijd past bij individuele opvattingen en gedragingen,
maar in traditionele culturen was de band met de familie zo sterk verbonden met de persoonlijke identiteit dat
er geen verschil mag zijn. De grens tussen individu is dus vager dan in een moderne samenleving. “IK” is een
modern woord.