Maatschappijwetenschappen
Politieke veranderingen in het verhoudingsvraagstuk
9.1 casus: revoluties
Vanaf de 18e eeuw werden naties steeds belangrijker in de Westerse wereld. Mensen voelden zich meer
verbonden met de natiestaat (cohesie) doordat ze dezelfde taal spraken en dezelfde cultuur deelden.
Uiteindelijk mondde dit echter tot conflicten tussen naties (wereldoorlogen). Ook was er een intern conflict,
omdat de burgers vonden dat de staat te machtig was geworden en daarmee hun vrijheden inperkte. Mensen
kwamen in verzet: revoluties! Tegenwoordig hebben koningen veel minder macht.
9.2 Analyse: gezag, representatie en representativiteit
Gezag “Macht die als legitiem beschouwd wordt.”
Vroeger hadden koningen enorm veel macht, ze zeiden dat ze deze van god gekregen hadden. De burgers
dachten daar anders over en startten revoluties. De vorsten hadden hun gezag verloren.
Gezag ligt dus in het verlengde van macht: de macht wordt geaccepteerd. Anderen accepteren vrijwillig de
beslissingen die de actor met macht heeft en aanvaarden dat hun vrijheid wordt ingeperkt. Een staat met
interne soevereiniteit heeft dus gezag bij de bevolking. Maar dit gezag accepteren onderdanen alleen als het
ook steeds waar wordt gemaakt.
Op microniveau krijgenmensen gezag op basis van:
Persoonlijke kwaliteiten (overwicht, charisma)
Geleverde prestaties (gewonnen oorlogen)
Positie of functie die iemand heeft (directeur, paus)
Actoren kunnen meer of minder gezag hebben. Dat komt door het verschil tussen mensen in je omgeving.
(trainer vs. teamgenoot)
Dankzij het gewelds- en belasting monopolie heeft de overheid de macht om de vrijheid van mensen in te
perken. Zo lang mensen dat erkennen heeft de overheid macht. Hoe meer erkenning, hoe stabieler de politiek.
Zo niet, kan dat leiden tot burgeroorlogen.
Representatie – representativiteit
Representatie: de vertegenwoordiging van een groep in (politieke) organisaties door één of enkele
betrokkenen die namens de groep optreden. (Staatsbezoek->koning, school->leerlingenraad, sport->
aanvoerder) Groepsvorming waarvoor één of enkele leden optreden.
Voor meer representatie waren meer nieuwe organisaties nodig. Politieke instituties als: kiesstelsel en
politieke partijen.
Representativiteit: De mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten, de standpunten of
achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die zij
vertegenwoordigen.
Burgers moeten zich kunnen herkennen in de besluiten die worden genomen. Politieke partijen moeten de
wensen van het volk weerspiegelen.
Er wordt gelet op overeenkomsten op de volgende punten:
- Achtergrondkenmerken. (Leeftijd, geslacht, woonplaats, opleidingsniveau)
- Standpunten. (vinden mensen in de politieke partijen hun standpunten terug? Economie, milieu,
migratie)
- Besluiten.(komen de standpunten v partijen overeen met de besluiten die genomen worden (kabinet))
, Representatie is een manier om invloed te krijgen. Er zijn verschillende visies ontstaan over representativiteit.
We onderscheiden 3 modellen:
Afspiegelingsmodel: De volksvertegenwoordiging moet zoveel mogelijk lijken op de samenstelling van
het volk zelf. De mensen die het volk vertegenwoordigen moeten vergelijkbaar zijn qua opvattingen en
achtergrondkenmerken. In de praktijk is dit vaak niet haalbaar omdat het onvermijdelijk is dat
sommige groepen oververtegenwoordigd zijn, en anderen juist ondervertegenwoordigd.
Rolmodel: Er wordt vooral gekeken naar de functie van een volksvertegenwoordiger. Het maat dan
niet uit in hoeverre hij qua achtergrondkenmerken op het volk lijkt, maar het gaat meer om zijn
standpunten.
- Delegate-model: een volksvertegenwoordiger moet zich bij zijn standpunt laten leiden door
het standpunt van de kiezers
- Trusteeship-model: een volksvertegenwoordiger moet zijn eigen afweging maken en mag zich
als een gevolmachtigde opstellen. (trustee=gemachtigde)
Partijenmodel: focus ligt niet op de vertegenwoordigers, maar op de partijen. Bij verkiezingen
stemmen mensen op een bepaalde partij en de parlementsleden daarvan moeten zich houden aan de
partijstandpunten. De volksvertegenwoordiging is dus een afspiegeling van verschillende opvattingen
in de samenleving. Het regelmatig en vaak houden van verkiezingen draagt bij aan de
representativiteit.
9.3 Paradigma’s over gezag
Functionalisme-paradigma Nadruk op structuur van een samenleving, beschouwt deze als systeem
(lichaam) met allemaal eigen functies.
De subsystemen in een samenleving die hun bijdrage leveren aan het in stand houden van het systeem
zijn sociale instituties. (onderwijs, politie, gezondheidszorg). Hoe meer van dat soort instituties op
elkaar afgestemd zijn door achterliggende waarden, hoe meer de samenleving één systeem zal
worden.
Sociale cohesie in een samenleving kan versterkt worden doordat leiders gezag hebben.
Sociale instituties kunnen door hun gezag bijdragen aan sociale cohesie en socialisatie. Waarden en
normen worden overgedragen waardoor er een gemeenschappelijk waardensysteem ontstaat.
Macht en gezag zijn verschijnselen die functioneel zijn.
Pacificatiedemocratie (democratie gebaseerd op consensus, aka. poldermodel): het is bijzonder dat de
politiek in NL zo goed heeft kunnen functioneren in een sterk verzuild land. Dat komt omdat de zuilen
vertrouwen in hun leiders hadden. Deze hadden gezag om te regeren en daardoor konden de zuilen
vreedzaam naast elkaar leven.
Conflict-paradigma ongelijkheid (in macht & bezit) is de motor. Conflicten leiden tot noodzakelijke veranderingen.
Macht speelt een belangrijkere rol dan gezag. Ongelijkheid/strijd tussen machtigen en minder machtigen.
Dahrendorf: Deze verschillen kunnengevolgen hebben voor iemands gezag
Natuurlijke verschillen: biologische, aangeboren eigenschappen van mensen en capaciteiten die daarbij horen.
Sociale verschillen: de culturele betekenis van de verschillen.
Soortverschillen: mensen hebben verschillende capaciteiten en rollen, maar dat wordt niet meer of minder
gewaardeerd.
Rangverschillen: het wordt wel gewaardeerd.
- Natuurlijke soortverschillen: verschillen in (natuurlijke) eigenschappen (geslacht, lengte, gewicht)
- Natuurlijke rangverschillen: verschillen in capaciteiten (loop- en gezichtsvermogen)
- Sociale differentiatie: verschillen in positie rechten (de soort verschillen)( gender & positie, vader of kind)
- Sociale stratificatie: verschil in taken en verantwoordelijkheden (rangschikken) (dokter vs.
Vakkenvuller)
Politieke veranderingen in het verhoudingsvraagstuk
9.1 casus: revoluties
Vanaf de 18e eeuw werden naties steeds belangrijker in de Westerse wereld. Mensen voelden zich meer
verbonden met de natiestaat (cohesie) doordat ze dezelfde taal spraken en dezelfde cultuur deelden.
Uiteindelijk mondde dit echter tot conflicten tussen naties (wereldoorlogen). Ook was er een intern conflict,
omdat de burgers vonden dat de staat te machtig was geworden en daarmee hun vrijheden inperkte. Mensen
kwamen in verzet: revoluties! Tegenwoordig hebben koningen veel minder macht.
9.2 Analyse: gezag, representatie en representativiteit
Gezag “Macht die als legitiem beschouwd wordt.”
Vroeger hadden koningen enorm veel macht, ze zeiden dat ze deze van god gekregen hadden. De burgers
dachten daar anders over en startten revoluties. De vorsten hadden hun gezag verloren.
Gezag ligt dus in het verlengde van macht: de macht wordt geaccepteerd. Anderen accepteren vrijwillig de
beslissingen die de actor met macht heeft en aanvaarden dat hun vrijheid wordt ingeperkt. Een staat met
interne soevereiniteit heeft dus gezag bij de bevolking. Maar dit gezag accepteren onderdanen alleen als het
ook steeds waar wordt gemaakt.
Op microniveau krijgenmensen gezag op basis van:
Persoonlijke kwaliteiten (overwicht, charisma)
Geleverde prestaties (gewonnen oorlogen)
Positie of functie die iemand heeft (directeur, paus)
Actoren kunnen meer of minder gezag hebben. Dat komt door het verschil tussen mensen in je omgeving.
(trainer vs. teamgenoot)
Dankzij het gewelds- en belasting monopolie heeft de overheid de macht om de vrijheid van mensen in te
perken. Zo lang mensen dat erkennen heeft de overheid macht. Hoe meer erkenning, hoe stabieler de politiek.
Zo niet, kan dat leiden tot burgeroorlogen.
Representatie – representativiteit
Representatie: de vertegenwoordiging van een groep in (politieke) organisaties door één of enkele
betrokkenen die namens de groep optreden. (Staatsbezoek->koning, school->leerlingenraad, sport->
aanvoerder) Groepsvorming waarvoor één of enkele leden optreden.
Voor meer representatie waren meer nieuwe organisaties nodig. Politieke instituties als: kiesstelsel en
politieke partijen.
Representativiteit: De mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten, de standpunten of
achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die zij
vertegenwoordigen.
Burgers moeten zich kunnen herkennen in de besluiten die worden genomen. Politieke partijen moeten de
wensen van het volk weerspiegelen.
Er wordt gelet op overeenkomsten op de volgende punten:
- Achtergrondkenmerken. (Leeftijd, geslacht, woonplaats, opleidingsniveau)
- Standpunten. (vinden mensen in de politieke partijen hun standpunten terug? Economie, milieu,
migratie)
- Besluiten.(komen de standpunten v partijen overeen met de besluiten die genomen worden (kabinet))
, Representatie is een manier om invloed te krijgen. Er zijn verschillende visies ontstaan over representativiteit.
We onderscheiden 3 modellen:
Afspiegelingsmodel: De volksvertegenwoordiging moet zoveel mogelijk lijken op de samenstelling van
het volk zelf. De mensen die het volk vertegenwoordigen moeten vergelijkbaar zijn qua opvattingen en
achtergrondkenmerken. In de praktijk is dit vaak niet haalbaar omdat het onvermijdelijk is dat
sommige groepen oververtegenwoordigd zijn, en anderen juist ondervertegenwoordigd.
Rolmodel: Er wordt vooral gekeken naar de functie van een volksvertegenwoordiger. Het maat dan
niet uit in hoeverre hij qua achtergrondkenmerken op het volk lijkt, maar het gaat meer om zijn
standpunten.
- Delegate-model: een volksvertegenwoordiger moet zich bij zijn standpunt laten leiden door
het standpunt van de kiezers
- Trusteeship-model: een volksvertegenwoordiger moet zijn eigen afweging maken en mag zich
als een gevolmachtigde opstellen. (trustee=gemachtigde)
Partijenmodel: focus ligt niet op de vertegenwoordigers, maar op de partijen. Bij verkiezingen
stemmen mensen op een bepaalde partij en de parlementsleden daarvan moeten zich houden aan de
partijstandpunten. De volksvertegenwoordiging is dus een afspiegeling van verschillende opvattingen
in de samenleving. Het regelmatig en vaak houden van verkiezingen draagt bij aan de
representativiteit.
9.3 Paradigma’s over gezag
Functionalisme-paradigma Nadruk op structuur van een samenleving, beschouwt deze als systeem
(lichaam) met allemaal eigen functies.
De subsystemen in een samenleving die hun bijdrage leveren aan het in stand houden van het systeem
zijn sociale instituties. (onderwijs, politie, gezondheidszorg). Hoe meer van dat soort instituties op
elkaar afgestemd zijn door achterliggende waarden, hoe meer de samenleving één systeem zal
worden.
Sociale cohesie in een samenleving kan versterkt worden doordat leiders gezag hebben.
Sociale instituties kunnen door hun gezag bijdragen aan sociale cohesie en socialisatie. Waarden en
normen worden overgedragen waardoor er een gemeenschappelijk waardensysteem ontstaat.
Macht en gezag zijn verschijnselen die functioneel zijn.
Pacificatiedemocratie (democratie gebaseerd op consensus, aka. poldermodel): het is bijzonder dat de
politiek in NL zo goed heeft kunnen functioneren in een sterk verzuild land. Dat komt omdat de zuilen
vertrouwen in hun leiders hadden. Deze hadden gezag om te regeren en daardoor konden de zuilen
vreedzaam naast elkaar leven.
Conflict-paradigma ongelijkheid (in macht & bezit) is de motor. Conflicten leiden tot noodzakelijke veranderingen.
Macht speelt een belangrijkere rol dan gezag. Ongelijkheid/strijd tussen machtigen en minder machtigen.
Dahrendorf: Deze verschillen kunnengevolgen hebben voor iemands gezag
Natuurlijke verschillen: biologische, aangeboren eigenschappen van mensen en capaciteiten die daarbij horen.
Sociale verschillen: de culturele betekenis van de verschillen.
Soortverschillen: mensen hebben verschillende capaciteiten en rollen, maar dat wordt niet meer of minder
gewaardeerd.
Rangverschillen: het wordt wel gewaardeerd.
- Natuurlijke soortverschillen: verschillen in (natuurlijke) eigenschappen (geslacht, lengte, gewicht)
- Natuurlijke rangverschillen: verschillen in capaciteiten (loop- en gezichtsvermogen)
- Sociale differentiatie: verschillen in positie rechten (de soort verschillen)( gender & positie, vader of kind)
- Sociale stratificatie: verschil in taken en verantwoordelijkheden (rangschikken) (dokter vs.
Vakkenvuller)