Hoofdstuk 1: Denken over Management & Organisatie
Denkrichtingen en persoonlijkheden
Het denken over leiding geven, management en de richting van de organisatie is in feite zo oud als de
mensheid, Geordende verhandelingen zijn voor de twintigste eeuw echter zeldzaam. Toch hadden
Socrates en Plato hier al wat van weg. En ook de volgende personen die behandelt worden;
• Niccolo Machiavelli: geeft richtlijnen aan vorsten en leiders in zijn boek Il Principe. Gericht op
behoudt van macht en uitbereiding van macht. Puur eigenbelang en gewetenloos gebruik
van macht.
• Adam Smith: Tot aan de tweede helft van de achtiende eeuw, heerste het Mercantilisme als
economische denkrichting. Bezit van geld en goud was de enigste welvaartsbron. Toen Adam
Smith kwam met een boek waarin gesteld wordt dat productieve arbeid de bron is van
welvaart. En dan door arbeidsverdeling de productiviteit omhoog gaat, was het
mercantilisme achterhaalt. begin van de industriële revolutie.
• Frederick Taylor: Toen de arbeiders zich gingen verzetten tegen het harde werken, was er
behoefte aan structuur en systematiek. De productie zou georganiseerd moeten worden,
geen slavendrijvers. Hier ontstond de Scientific Management:
o Vergaande taakverdeling en training hogere productie
o Vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en
arbeiders
o Bedrijfsleiders verantwoordelijk stellen, niet uitvoering
o Zorgvuldige selectie juiste man op juiste plaats
o Prestatiebeloning lagere productiekosten
o Leiding bestaat uit acht functies 8-bazenstel
o Gevolg: mens is verlengstuk van machine, monotone arbeid,
beperking vrijheid en verdwijnen plezier in werk.
• Henry Fayol: Formuleerde een theorie van het algemene management (General
Management). Verschil met Taylor is dat die theorie is opgebouwd vanuit en voor de
productie afdeling. In het General management theorie zijn 6 onafhankelijke
managementgebieden onderscheidden:
o Technisch
o Commercieel
o Financieel
o Zelfbeschermend/veiligheid
o Boekhouding
o Besturing
De besturing zorgt voor de onderlinge samenhang op de overige gebieden, en is het
belangrijkste onderdeel van de functie van managers en bestaat uit vijf taken: plannen,
organiseren, bevel voeren, coördineren en controleren.
Eenheid van commando was belangrijk, iedere werknemer heeft slechts een directe baas
boven zich. (is ook structureringsmanier uit leger) (staat haaks op taylor: die wou juist met
functionele organisatie de eenheid van bevel doorbreken)
• Max Weber – bureaucratie (1940): Doelmatige organisatie vorm, ieder mens is radertje in
geoliede machine. Kenmerken:
o Sterk doorgevoerde taakverdeling
o Hiërarchisch bevelstructuur
Hoofdstuk:
o Afgebakende bevoegdheden en verantwoordelijkheden
o Onpersoonlijke relaties
Hoofdstuk 1 t/m 9 1
,Samenvatting Organisatie & Management 22 oktober 2012
o Werving op basis van kennis en bekwaamheid
o Routineregels en beloning op basis van procedures
o Alles schriftelijk vastgelegd
o Macht functionarissen is aan restricties gebonden.
Het is een denkmodel dat behulpzaam is bij de bestudering van organisaties. De nadruk op
technische perfectionering leidt er echter toe dat de structuur belangrijker wordt dan de
organisatiedoelen.
• Elten Mayo – human relations-beweging (1945): Is tegenhanger van Scientific management,
nieuwe vorm van management waarbij de sociale verhouding van mensen belangrijk is.
Gelukkige en tevreden mensen leveren maximale arbeidsprestatie.
• Rensis Likert – revisionisme (1950): Synthese van Human Relations en Scientific
management, de benadering van Taylor is een organisatie zonder mensen en die van de HR-
beweging groepjes mensen zonder organisatie. Nu werd er gericht op organisatiestructuur,
communicatie en ontwikkelde linking pin structuur (groep leiden maar ook contact hebben
met hogere groep).
• Frederick Herzberg (Abraham Maslow) – behoeftenhierarchie: vijf niveaus van behoeften,
lager niveau is bevredigd is het streven gericht naar een hoger niveau:
1. Fysologische behoeften (sex, slaap, drinken)
2. Zekerheid (bescherming, regelmaat)
3. Acceptatie (vriendschap, erbij horen)
4. Erkenning (prestige, succes)
5. Zelfontplooiing (verantwoordelijkheid, ontwikkelingskansen)
Satisfiers (motivatoren): factoren leiden tot werktevredenheid, werkintrinsiek (erkenning).
Wanneer deze factoren afwezig zijn leid het niet tot werkontevredenheid.
Dissatisfiers (hygiënefactoren): leiden tot werkontevredenheid,
werkextrinsieke factoren (salaris en werkomstandigheden)
wanneer deze goed zijn zal het de mens niet motiveren.
• Kenneth Boulding – systeembenadering (1950): De organisatie
en omgeving als een systeem. Kijken naar de invloed van de
genomen beslissingen op de totale organisatie.
• Paul Lawrence en Jay Lorsch – contingentiebenadering (1965):
not a one best way of management, keuze managementtechniek
hangt af van omstandigheden waarin organisatie zich bevindt.
Organisaties moeten zich richten op de omgeving.
• Recente organisatietheorieen
Hoofdstuk 1.13 doorlezen zie boek vanaf blz 22.
o Philip Crosby – kwaliteitszorg
o Herny Mintzberg – organisatiestructurering en
strategisch planning
o Tom Peters – managementprincipes voor bedrijfsvoering
o Michael Porter – strategie
o Michael Hammer – herstructureren van bedrijfsprocessen
o C.K. Prahalad – concurrentie
o Jim Collins – bedrijfscultuur en leiderschap
o Kjell Anders Nordstrom & Jonas ridderstrale – verandering in organisaties
o Gary Hamel – toekomst van management
o Eckart wintzen – celfilosofie
Hoofdstuk:
o Don Tapscott – wikinomics
o Steve Jobs – visionaire meester van de eenvoud
Hoofdstuk 1 t/m 9 2
,Samenvatting Organisatie & Management 22 oktober 2012
Hoofdstuk 2: Omgevingsinvloeden
2.1 Organisaties
Een organisatie heeft te maken met omringende partijen en omgevingsfactoren of invloeden:
DESTEP-model: (bron: Management Basics)
Afstemming: het richten van de organisatie op de omgeving.
2.2 Partijen
Afnemers: partij die vraag uitoefent naar producten en diensten. Door de bestaande productie af te
stemmen op de afnemersbehoefte gaat men klant verlies tegen.
Leveranciers: klant wil steeds minder voorraad aanhouden just in time.
Concurrentie: bepalen speelruimte die organisaties hebben op markt. Concurrenten traceren en
analyseren wat hun marktpositie is.
Vermogensverschaffers: aandeelhouders, financiële instellingen of overheid. Bij grote ondernemers
hebben vermogensverschaffers vaak toezichthoudend instituut, bv. RvC.
Werknemers: belangrijkste kapitaal van elke organisatie, kritische succes factor. Medezeggenschap.
Belangenbehartigingsorganisaties: FNV bondgenoten of VNO (werknemers/gevers) Vereniging Eigen
Huis of ANWB (consumentenorganisaties).
Overheidsinstellingen: Uitvoering overheidsbeleid.
Media: kan organisatie in negatief daglicht zetten.
Hoofdstuk:
Hoofdstuk 1 t/m 9 3
, Samenvatting Organisatie & Management 22 oktober 2012
2.3 Omgevingsfactoren
Milieufactoren
Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) bevat strategie voor milieubeleid tot 2030. De strategische
aandachtsvelden zijn:
• Schoonmaken van huidige activiteiten
• Benutten nieuwe kansen
• Werken aan duurzame toekomst.
Technologische factoren
Vooral op gebied van biotechnologie en informatietechnologie. Gevolgen van informatie technologie:
• De wijze waarop werk wordt verricht
• Integratie tussen functies
• Veranderingen in schaalvoordelen en besluitvormingen.
Demografische factoren
Omvang, groei en samenstelling van de bevolking. Op welke markt en goederen/diensten de
organisatie zich moet richten. Komende jaren neemt geboorte af en vergrijzing toe (collectieve
uitgaven nemen toe). Levensverwachting zal stijgen, en de markt zal zich richten op de senior.
Economische factoren
• Bepalen succes van organisatie. (groei nationaal inkomen particulieren hoger inkomen
positief effect op koopkracht, dus de afzet mogelijkheden nemen toe.)
• Inkomens verdeling kan economische invloed hebben op omvang bepaalde markten.
• NL is voor 30% afhankelijk van buitenland, dus internationaal economie is ook van belang.
Politieke factoren
Overheid tracht de gang van zaken in het economische leven te sturen. De eenwording van Europa
van een verschuiving van de politieke macht zijn factoren waarmee organisaties in de naaste
toekomst geconfronteerd worden. Economische Unie: economische en politieke soevereiniteit wordt
overgedragen aan gemeenschappelijke instituties.
1. Vrijhandelszone: onderlinge handelsbelemmeringen worden door deelnemende landen
afgeschaft.
2. Douane-unie: gemeenschappelijke handelspolitiek, opbrengsten uit invoertarief worden
weer verdeeld.
3. Gemeenschappelijke markt: basis is douna-unie, en ook belemmeringen op gebied van
productie factoren worden weggenomen.
4. Economische unie: nog stapje verder, monetaire beleid en de financiele overheidspolitiek zijn
geharmoniseerd. (centrale instituties, centrale bank etc.)
5. Een volledige politieke en economische unie: landen gaan geheel samen, Verenigde Staten
van Amerika.
Belemmeringen: fysieke (douane controles etc.), technische (productnormen etc.) en fiscale (btw)
Maatschappelijke factoren
Organisaties zijn een onderdeel van de maatschappij die een onderdeel is van het milieu.
Organisaties gaan steeds meer rekening houden met wensen uit de maatschappij en richten zich op
wat wordt genoemd duurzaam ondernemen.
Hoofdstuk:
Hoofdstuk 1 t/m 9 4