Markt: abstracte en concrete markt
Ruilen: directe ruil en indirecte ruil
Marktpartijen: consumenten, bedrijven, overheid en buitenland
Consumptiegoederen: vrije goederen en schaarse goederen
Bedrijfskolom: integratie, differentiatie, parallellisatie, specialisatie
Marktvormen
Volledige Monopolistische Oligopolie Monopolie
mededinging concurrentie
Aantal Veel Veel Een aantal 1
aanbieders
Aard van het Homogeen Heterogeen Homogeen/heterogeen Homogeen
product
Transparantie Goed Slecht Slecht Goed
Toetredings- Makkelijk Makkelijk Moeilijk Moeilijk of
mogelijkheden niet mogelijk
P=GO=MO MO=MK
Hoeveelheidsaanpasser: koper of verkoper heeft geen invloed op de markt en stemt zijn
aangeboden of gevraagde hoeveelheid af op de marktprijs
Prijszetter: producent die zelf zijn prijs kan bepalen en hierdoor marktmacht heeft
Prijsdiscriminatie: producentensurplus vergroten ten koste van het consumentensurplus
Monopolie: natuurlijk, wettelijk en economisch
Marktmechanisme: vraag en aanbod zullen altijd gelijk aan elkaar zijn (Qa=Qv)
Ceteris paribus: alle factoren buiten de vraag die de vraag en het aanbod beïnvloeden
Verschuiving over of lang de vraag- of aanbodlijn: prijsverandering
Verschuiving van de vraag- of aanbodlijn: verandering andere factoren dan de prijs
Surplussen: Consumenten- en producentensurplus
Harbergerdriehoek: welvaartsafname door verschuiving van surplussen
Pareto-optimum: het surplus kan niet worden vergroot zonder het andere surplus te
verkleinen en de welvaart gelijk te houden
Elasticiteiten: kruislings, prijs en inkomen van de vraag naar of het aanbod van goederen
Volkomen inelastisch: E = 0
Inelastisch: E > -1 en E < 1
Elastische: E < -1 en E > 1
procentuele verandering gevolg
procentuele verandering oorzaak
Maximale winst: MO = MK
Maximale omzet: MO = 0
Alle formules van de functies staan op pagina 25 van samengevat economie
, Arbeidsmarkt: verruiming en verkapping
Beroepsgeschikte bevolking: beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking
Grootte beroepsbevolking bepaald door: aanzuigeffect en ontmoedigingseffect
Productiefactoren: kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap
Inkomen uit productiefactoren: rente/huur, loon, pacht en winst (wilph)
Arbeidsmobiliteit: geografisch, beroep en wel of niet werken
Participatiebaan: gecreëerd en/of gesubsidieerd door de overheid voor werklozen
Officiële werkloosheid: werkloosheid die bekend is bij het CBS
Officieuze werkloosheid: werklozen die dit niet registreren of zwartwerkers
Soorten werkloosheid: structurele, frictie, seizoen en conjunctuur
Loonprijsspiraal/prijscompensatie: stijgende prijzen zorgen voor de vraag naar een hoger
loon
Domein E
Intertemporele ruil of ruilen over tijd: nu iets consumeren en later terugbetalen of nu afzien
van een consumptie om het later te kopen
Kapitaaldekkingsstelsel: je betaalt nu iets om jezelf later van te voorzien
Omslagstelsel: premiebetalers betalen de uitkering voor anderen die het nu hebben
Welvaartsvast pensioen: pensioen stijgt ieder jaar procentueel gezien mee met de loon
verandering
Waardevast pensioen: pensioen stijgt jaarlijks ieder veel als de inflatie
Vermogensmarkt: geheel van vraag en aanbod van geld. De aanbieders zijn degenen die geld
sparen en de vragers degenen die geld lenen. De prijs die tot stand komt is rente.
Geldmarkt: korter dan 2 jaar (lagere rente, want minder risico)
Kapitaalmarkt: langer dan 2 jaar (hogere rente, want meer risico)
Stroomgrootheid: grootheden die per periode gemeten worden
Voorraadgrootheid: grootheden gemeten op een bepaald tijdstip
Indexcijfers
Nominale rente: rentebedrag of -percentage dat je werkelijk krijgt
Reële rente: rentebedrag of -percentage waarmee je vermogen in koopkracht verandert. Het
is de nominale rente gecorrigeerd met de prijsverandering/inflatie