Inhoudsopgave
Hoofdstuk 7 Macro-economische begrippen 2
Hoofdstuk 8 Macroaanbod en macrovraag 6
Hoofdstuk 9 Conjunctuur en groei 9
Hoofdstuk 10 De arbeidsmarkt 13
,Hoofdstuk 7 Macro-economische begrippen
7.1 De economische situatie als omgevingsfactor
Microniveau = hier staan de concurrentieverhoudingen op de in- en verkoopmarkten en de
prijsverhoudingen centraal.
Mesoniveau = sectoren en bedrijfstakken.
Macroniveau = hier gaat het om de economie als geheel (nationale productie; nationaal inkomen;
algemeen prijsniveau; etc).
De macro-omgeving heeft invloed op het ondernemingsbeleid. Bij het opstellen van begrotingen en
het formuleren van een middellangetermijnplan bijvoorbeeld. Een onderneming vraagt zich steeds
af hoe bepaalde macro-economische grootheden zich zullen ontwikkelen.
Verkoopopbrengsten en productiekosten worden beïnvloed door de algemene economische
situatie.
Kennis van macro-economische begrippen en inzicht in hun samenhang heeft een ondernemer
nodig om de ontwikkeling van verkoopopbrengsten en productiekosten beter te kunnen inschatten.
Economische en financiële ontwikkelingen worden in kaart gebracht door het CBS en CPB.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), publiceert cijferreeksen over economische trends uit
het verleden.
Het Centraal Planbureau (CPB) probeert toekomstige ontwikkelingen te verkennen.
7.2 Macro-economische cijfers
Macro-economische cijfers worden vaak gebruikt om economische situaties van landen met elkaar
te vergelijken.
Het Bruto Binnenlands Product (bbp) geeft een indruk van de waarde van goederen en diensten
waar de inwoner van het desbetreffende land gemiddeld over kan beschikken.
Het bbp is een gemiddeld cijfer. Probleem hiervan is dat er in werkelijkheid sprake is van een
ongelijke verdeling, sommigen hebben weinig te besteden en anderen veel. Ook wordt er productie
niet of maar voor een deel meegeteld. En het is een in dollars gemeten cijfer.
Dus bij een internationale vergelijking van het bbp per inwoner moet erop worden gelet dat:
- dit een gemiddeld bedrag per inwoner is;
- de verdeling ongelijk is;
- de koopkracht per land verschilt;
- er een in omvang uiteenlopende informele economie bestaat.
7.3 Formele en informele economie
Er wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele / verborgen economie.
Formele economie = Transacties waarvoor een inkomen wordt ontvangen, dit is opgenomen in de
statistieken.
Informele economie = Legale en illegale economische activiteiten die niet in de officiële cijfers tot
uitdrukking komen omdat CBS ze niet waarneemt. (Doe-het-zelf activiteiten).
Voorbeeld:
Formele economie:
Een schilder schildert een huis en stuurt de klant een rekening die de klant betaald. De schilder
ontvangt hier een inkomen.
, Informele economie:
Iemand schildert zijn eigen huis. Hier komt geen rekening en inkomensvorming aan te pas. Hij
betaalt alleen de gekochte verf en kwasten.
Statistisch jaarboek = samenvatting cijfers CBS.
Nationale rekeningen = cijfers over nationale productie.
7.4 Het nationaal inkomen
De toegevoegde waarde
Je kunt niet gewoon de waarde van de productie van alle bedrijven en de overheid bij elkaar
optellen, om na te gaan hoeveel in een land wordt geproduceerd. Dan tel je activiteiten dubbel.
Je kunt dit vermijden door uit te gaan van de toegevoegde waarde.
Bruto toegevoegde waarde = productiewaarde — verbruik
Vb. bedrijf produceert voor 8 mln. aan producten en verbruikt 3 mln. Toegevoegde waarde = 5.
Verbruik = ingekochte grondstoffen, energie, halffabricaten en diensten van derden.
Totale productie van bedrijven samen = toegevoegde waarde van deze bedrijven optellen.
De overheid produceert ook, alleen is het bepalen van de waarde van de overheidsproductie erg
lastig. Geproduceerde zaken worden namelijke niet afgezet tegen een prijs (rechtspraak,
defensie). Oplossing: waarden van de overheid = lonen en salarissen van het overheidspersoneel
+ afschrijvingen.
bbp = toegevoegde waarden van bedrijven en overheid bij elkaar opgeteld.
Slijtage, vervanging en afschrijving
Technische slijtage = het slijten van goederen zoals machines en onderdelen.
Economische slijtage = machines en fabrieken zijn verouderd.
Afschrijven
Afschrijving = waardeverlies door slijtage
Vaak is een productiemiddel eerder economisch verouderd dan technisch versleten. Hierdoor
willen ondernemers zo lang mogelijk het productiemiddel in het bedrijf houden (reden van
ploegendienst).
Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde — afschrijvingen.
Marktprijzen en factorkosten
Om de toegevoegde waarde te berekenen worden de marktprijzen (verkoopprijzen) van producten
gebruikt. Hier zit dus ook een deel btw/accijnzen in.
Voor sommige producten ontvangen bedrijven een subsidie, dit verlaagt de prijs.
Toevoegde waarde tegen factorkosten = toegevoegde waarde tegen marktprijzen
− kostprijsverhogende belastingen (btw)
+ prijsverlagende overheidssubsidies
Haal hier de afschrijvingen van af en je krijgt het netto bedrag. (toegevoegde waarde tegen
factorkosten — afschrijvingen = netto)
Dit bedrag, netto toegevoegde waarde tegen factorkosten, wordt ook wel het netto binnenlands
inkomen genoemd.
Het beschikbaar nationaal inkomen
Netto nationaal inkomen = netto binnenlands inkomen + saldo uit het buitenland ontvangen
verdiende inkomens.
Nationaal inkomen (nationaal product) = binnenlands inkomen
+ primaire beloningen uit het buitenland
− primaire beloningen aan het buitenland