Paragraaf 1: Introductie
● Stoffen en moleculen
- Stoffen bestaan uit moleculen, die meer of minder aan elkaar vast zitten.
- Er bestaan heel veel verschillende stoffen > heel veel verschillende moleculen.
- Stof in 3 fasen voorkomen:
Vast - Vloeibaar - Gas
● Eigenschappen van moleculen:
- Verschillende soorten moleculen verschillen in grootte, maar ook de grootste
moleculen zijn te klein om te kunnen zien.
- Verschillende soorten moleculen verschillen in massa.
- Op korte afstand kunnen moleculen aantrekkende kracht op elkaar
uitoefenen.
- Aantrekkende kracht tussen moleculen verschilt voor verschillende soorten
moleculen.
● Moleculen en atomen
- Moleculen bestaan uit atomen.
- Atomen zijn opgebouwd uit relatief kleine en zware kern met daaromheen
elektronen met zeer kleine massa.
Massa van atoom daardoor bepaald door massa van de kern.
- Massa van 1 atoom van element heet atomaire massa en wordt aangegeven met
het massagetal.
Paragraaf 2: Faseovergangen en dichtheid
● Beweging van moleculen indirect zichtbaar
- Moleculen botsen, bewegen.
- Hoe hoger de temperatuur van een gas is, hoe sneller de moleculen bewegen.
● Dichtheid
- Voorwerp kan licht of zwaar zijn:
Of bepaalde hoeveelheid stof licht of zwaar is, hangt af van soort stof en van
volume.
- Dichtheid: aantal massa per aantal volume.
- Temp. van stof stijgt doordat deeltjes energie opnemen en sneller gaan bewegen. >
Gemiddelde onderlinge afstand van deeltjes neemt toe; stof zet uit. >
Volume wordt groter, maar massa niet. >
Dichtheid van stof neemt af.*
, ● Vast, vloeibaar, gas
- Bij overgangen tussen de 3 fasen veranderen de moleculen niet.
- Op korte afstand trekken moleculen elkaar aan:
Sommige soorten heel zwak (gas); sommige heel sterk (vast).
- Gas: Moleculen bewegen op afstand tussen andere moleculen door.
- Vloeistof: Moleculen bewegen tegen elkaar aan en langs elkaar.
- Vaste stof: Moleculen trillen rond vaste plek.
- Hoe warmer de stof is, des te sneller bewegen de moleculen van die stof.*
● Temperatuur in graden Celsius en Kelvin
- Dalende temperatuur betekent dat moleculen minder snel gaan bewegen.
Bij -273 ℃ bewegen moleculen helemaal niet meer:
Laatst mogelijke temperatuur: absolute nulpunt.
- Absolute nulpunt: -273 ℃ of 0 K.
- Stijging van 1 K is even groot als stijging van 1 ℃.
T (℃)=T (K )−273
Δ T (K )= ΔT (℃)
● Warmte en temperatuur
- Warmte: de energie die toegevoerd wordt om iets te verwarmen, of aan iets wordt
onttrokken om het te koelen.
- Bij verwarmen van voorwerp of hoeveelheid stof wordt de energie verdeeld over alle
moleculen of atomen van het voorwerp.
- Temperatuur van hoeveelheid stof geeft aan hoe groot de gemiddelde
bewegingsenergie van de atomen of moleculen van die stof is.
● Dichtheid
m
- ρ= : in kg/㎥
V
- Atomen met een grotere atomaire massa hebben een zwaardere kern.*
- Dichtheid van metalen wordt vooral bepaald door de massa’s van de atomen.*
● Faseovergangen