Hoofdstuk 2 – Markten.................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 3 – De vraag ................................................................................................................. 4
Hoofdstuk 4 – Het aanbod ............................................................................................................. 7
Hoofdstuk 5 – Concurrentie intensiteit en concurrentiepositie .......................................................10
Hoofdstuk 6 – Structuur van de markt ...........................................................................................14
Hoofdstuk 7 – Meso-economie en onderneming ............................................................................20
,Hoofdstuk 2 – Markten
2.1 Markt
• De markt van een product: bestaat uit de betrekkingen tussen vragers en aanbieders
rondom een bepaald product.
o Prijzen: zijn hierbij heel belangrijk, deze hebben een signaalfunctie voor vraag en
aanbod.
• Communicatie op de markt:
o Kan direct zijn (op markten van groenten en fruit of in winkels).
o Kan afstandelijk zijn (op valuta- en effectenmarkten).
• Markten op geografische omvang:
o Wereldmarkt:
▪ Prijzen komen tot stand op wereldschaal.
▪ Prijzen gelden voor alle vragers en aanbieders.
▪ Bijvoorbeeld ertsen, metalen, koffie en graan, cacao en bananen.
o Lokale markt:
▪ Zijn heel klein.
▪ Concurreren vaak alleen op plaatselijke markt.
o Nationale markt:
▪ Beperken zich tot een bepaalde groep landen (ziektekostenverzekeraars).
o Relevante markt:
▪ Wordt bediend door de ondernemingen.
• Productgroep: een groep producten die een bepaalde behoefte kan bevredigen.
2.2 Bedrijfstak en bedrijfskolom
• Een bedrijfstak produceert meestal voor een groep van markten.
• Ondernemingsgrootte:
o Micro: 0 – 9 werknemers.
o Klein: 10 – 49 werknemers.
o Middelgroot: 50 – 249 werknemers.
o Groot: 250+ werknemers.
▪ Grote ondernemingen hebben voordelen t.o.v. kleine ondernemingen zoals
betere inkoopprijzen.
• NACE: alle productieve activiteiten van bedrijven en overheid in Europa worden eerst
ingedeeld in 21 secties die elk met een letter worden aangeduid (zie blz. 41 van boek voor
voorbeeld).
• Bedrijfskolom: een opeenvolging van bedrijfstakken, van oerproducent tot consument.
o Waardesysteem: elke bedrijfstak voegt waarde toe.
, 2.3 Economische orde
• Economische orde: het geheel van collectieve waarden, normen en instituten die het
economisch handelen bepalen.
o Waarden: doelen voor het menselijk handelen.
▪ Collectieve waarden: grote groepen individuen in een samenleving hangen
aan bepaalde waarden.
• In Europa: gelijkwaardigheid van mensen, vrijheid, gelijkheid en
solidariteit.
▪ Zedelijke waarden: hebben te maken met opvattingen over het menszijn.
o Normen: zijn afgeleid van waarden. Vormen in concrete situaties de leidraad voor
het menselijk gedrag.
o Instituties: bestaan uit de wet- en regelgeving en instellingen die worden opgesteld
en uitgevoerd door talloze organen.