Samenvatting biologie thema 1 V6
Voedingsstoffen
Alles wat je eet of drinkt zijn voedingsmiddelen. In deze voedingsmiddelen zitten
voedingsstoffen, deze bestaan uit zes groepen: eiwitten, koolhydraten, vetten, water,
mineralen en vitaminen. Deze voedingsstoffen hebben allerlei verschillende functies, zoals:
bouwstoffen voor de vorming van organische stoffen en brandstoffen die energie leveren.
Eiwitten: eiwitten zijn lange ketens van aminozuren. In het verteringstelsel worden deze tot
afzonderlijke aminozuurmoleculen gesplitst. Bij eiwitsynthese worden deze aminozuren in
de cellen weer opgebouwd tot eiwitten. Er zijn in totaal 20 verschillende aminozuren,
waarvan een volwassen mens er 12 zelf kan maken. De ander 8 zijn de essentiële
aminozuren, aangezien je deze dus alleen via je voeding binnen kan krijgen. Eiwitten zijn de
bouwstoffen van cellen en weefsels. Verder hebben ze een transportfunctie en dienen ze als
katalysator (enzymen).
Koolhydraten: koolhydraten zorgen voor het grootste deel voor energie. 1g koolhydraten is
al goed voor 17kJ energie. Een klein deel van de koolhydraten dienen ook als bouwstoffen in
de vorm van monosacharide, zoals in DNA (desoxyribose) en ATP (ribose). Voedingsvezels
zijn een speciale soort koolhydraten die niet verteerd kunnen worden door enzymen van de
mens zelf. In de dikke darm wordt een deel afgebroken door enzymen van bacteriën.
Voedingsvezel bevorderen je stoelgang en geven je een ‘vol’ gevoel.
Vetten: de meeste vetmoleculen zijn opgebouwd uit een glycerolmolecuul en drie
vetzuurmoleculen, deze groep vetten worden ook wel de triglyceriden genoemd. Je heb
verzadigde en onverzadigde vetzuren. Een verzadigd vetzuur heeft geen vrije
bindingsplaatsen meer aan de C-atomen. Een onverzadigd vetzuur heeft een of meer dubbel
gebonden C-atomen. Onverzadigde vetten komen vooral voor in plantaardige producten en
vis en zijn beter voor je gezondheid. Als een vetzuur niet gevormd kan worden, moet je deze
dus via je voedsel opnemen, dit is een essentieel vetzuur. Vetten zijn vooral brandstoffen,
1g zorgt voor 38kJ energie (dus meer dan koolhydraten). Vetten zijn de bouwstoffen voor de
fosfolipiden laag in je celmembranen. Cholesterol is een vet dat wordt aangemaakt in je
lever en gebruikt wordt bij de productie van gal, hormonen en vitamine D. Sommige
vitamines lossen op in vetten en krijg je alleen op die manier binnen (A, D, E en K).
Water: mensen bestaan voor het grootste deel uit water. Het is dus een belangrijke
bouwstof en oplosmiddel voor verschillende stoffen. Het zorgt voor de osmotische waarde
en voor transport. Ook is het belangrijk voor de regeling van je temperatuur (zweet).
Mineraten: mineralen zijn anorganische stoffen, als calcium, kalium en natrium. Je hebt
deze nodig voor allerlei processen. Er zijn ook mineralen waar je maar héél weinig van nodig
hebt, dit zijn spoorelementen, denk bijvoorbeeld aan fluor. Vaak zijn spoorelementen
bestanddelen van enzymen en hormonen.
Voedingsstoffen
Alles wat je eet of drinkt zijn voedingsmiddelen. In deze voedingsmiddelen zitten
voedingsstoffen, deze bestaan uit zes groepen: eiwitten, koolhydraten, vetten, water,
mineralen en vitaminen. Deze voedingsstoffen hebben allerlei verschillende functies, zoals:
bouwstoffen voor de vorming van organische stoffen en brandstoffen die energie leveren.
Eiwitten: eiwitten zijn lange ketens van aminozuren. In het verteringstelsel worden deze tot
afzonderlijke aminozuurmoleculen gesplitst. Bij eiwitsynthese worden deze aminozuren in
de cellen weer opgebouwd tot eiwitten. Er zijn in totaal 20 verschillende aminozuren,
waarvan een volwassen mens er 12 zelf kan maken. De ander 8 zijn de essentiële
aminozuren, aangezien je deze dus alleen via je voeding binnen kan krijgen. Eiwitten zijn de
bouwstoffen van cellen en weefsels. Verder hebben ze een transportfunctie en dienen ze als
katalysator (enzymen).
Koolhydraten: koolhydraten zorgen voor het grootste deel voor energie. 1g koolhydraten is
al goed voor 17kJ energie. Een klein deel van de koolhydraten dienen ook als bouwstoffen in
de vorm van monosacharide, zoals in DNA (desoxyribose) en ATP (ribose). Voedingsvezels
zijn een speciale soort koolhydraten die niet verteerd kunnen worden door enzymen van de
mens zelf. In de dikke darm wordt een deel afgebroken door enzymen van bacteriën.
Voedingsvezel bevorderen je stoelgang en geven je een ‘vol’ gevoel.
Vetten: de meeste vetmoleculen zijn opgebouwd uit een glycerolmolecuul en drie
vetzuurmoleculen, deze groep vetten worden ook wel de triglyceriden genoemd. Je heb
verzadigde en onverzadigde vetzuren. Een verzadigd vetzuur heeft geen vrije
bindingsplaatsen meer aan de C-atomen. Een onverzadigd vetzuur heeft een of meer dubbel
gebonden C-atomen. Onverzadigde vetten komen vooral voor in plantaardige producten en
vis en zijn beter voor je gezondheid. Als een vetzuur niet gevormd kan worden, moet je deze
dus via je voedsel opnemen, dit is een essentieel vetzuur. Vetten zijn vooral brandstoffen,
1g zorgt voor 38kJ energie (dus meer dan koolhydraten). Vetten zijn de bouwstoffen voor de
fosfolipiden laag in je celmembranen. Cholesterol is een vet dat wordt aangemaakt in je
lever en gebruikt wordt bij de productie van gal, hormonen en vitamine D. Sommige
vitamines lossen op in vetten en krijg je alleen op die manier binnen (A, D, E en K).
Water: mensen bestaan voor het grootste deel uit water. Het is dus een belangrijke
bouwstof en oplosmiddel voor verschillende stoffen. Het zorgt voor de osmotische waarde
en voor transport. Ook is het belangrijk voor de regeling van je temperatuur (zweet).
Mineraten: mineralen zijn anorganische stoffen, als calcium, kalium en natrium. Je hebt
deze nodig voor allerlei processen. Er zijn ook mineralen waar je maar héél weinig van nodig
hebt, dit zijn spoorelementen, denk bijvoorbeeld aan fluor. Vaak zijn spoorelementen
bestanddelen van enzymen en hormonen.