Samenvatting AE / Treasury Semester 5.2
Week 1
Paragraaf 1.0
Als mensen te veel geld hebben om producten te kopen, neemt het gevaar op inflatie toe. Het monetair beleid
van de Europese Central Bank (ECB) heeft als doel de inflatie in het eurogebied op, of net onder de 2% te
houden. De ECB gebruikt de beleidsrente om dit doel te bereiken.
Bij hoge inflatie is het moeilijk om winstgevend te zijn, want afnemers hebben minder koopkracht, dus kopen
liever producten in het buitenland. Ze stellen betalingen uit, omdat het geld iedere dag minder waard wordt.
Paragraaf 1.1
Motieven voor het aanhouden van geld
1. De vraag naar geld op grond van het transactiemotief is dat gezinnen en bedrijven geld nodig
hebben om producten te kopen. De vraag naar geld voor transacties noemen we ook wel de vraag
naar actief kasgeld.
2. Huishoudens en bedrijven houden geld aan uit voorzorg tegen financiële tegenvallers (dure spullen
plotseling kapot of plotselinge afzetdaling). Het geld dat huishoudens aanhouden uit voorzorg noemen
we de vraag naar geld op grond van het voorzorgsmotief.
3. Huishoudens houden geld aan als oppotmiddel of vermogensbestanddeel. Dit is de vraag naar geld
op grond van het speculatiemotief. Liquide middelen zijn onderdeel van beleggingsportefeuille.
Offensieve beleggers willen hoog risico (minimale/geen liquide middelen), defensieve beleggers willen
weinig risico lopen en houden daarom veel liquide middelen aan. Dit is te zien in
modelbeleggingsportefeuilles naar risicoprofiel. Beleggers houden meer geld aan als de prijzen van
aandelen, vastgoed of obligaties. In tijden van politieke, sociale en economische onrust neemt de
vraag naar geld als vermogensbestanddeel toe.
Geld uit voorzorg of vermogensbestanddeel, gebruiken ze niet direct voor aankopen. Vraag naar geld op
grond van voorzorgs- en speculatiemotief heten samen ook de vraag naar inactief kasgeld. Dit hangt af van
de hoogte van de rente. Hoe hoger de rente, hoe hoger de gemiste opbrengsten van kasgeld zijn. Ook de
renteverwachting heeft invloed op de vraag naar inactief kasgeld. De rente heeft een sterke invloed op de
koersen van obligaties en aandelen (rentestijging = daling koersen). De aandelenkoersen dalen omdat een
rentestijging van obligaties/aandelen de winst van ondernemingen aantast en aandelen minder aantrekkelijk
maakt in vergelijking met bijvoorbeeld een spaartegoed. De vraag naar inactief kasgeld neemt dus toe als
beleggers een stijging van de rente verwachten, want ze willen hun obligaties/aandelen verkopen in ruil voor
geld. Nadat de rente is gestegen, kopen zij de obligaties en aandelen tegen een lagere koers.
De vraag naar inactief kasgeld is hoog bij een lage rente en/of een verwachte rentestijging. Het omgekeerde
is het geval bij een hoge rente en/of een verwachte rentedaling.
Bij een hoge rente zullen gezinnen en huishoudens daarom weinig inactief kasgeld aanhouden.
Omgekeerd zullen ze juist veel inactief kasgeld aanhouden als de rente laag is????
Kwantitetistheorie van de vraag naar geld
Met behulp van de kwantiteitstheorie kunnen we de behoefte aan liquide middelen in een economie
analyseren. De vraag van geld hangt hierbij af van de nominale waarde van de producten en de
omloopsnelheid van het geld: M x V = P x Q (verkeersvergelijking Fisher)
M = (vereiste) geldhoeveelheid
V = omloopsnelheid van het geld (aantal keren per jaar dat een geldeenheid wordt gebruikt voor de aanschaf
van goederen en diensten die deel uitmaken van het bbp)
P = prijsniveau van het bbp
Q = volume van het bbp
P x Q is gelijk aan de vraag naar geld dat afhangt van het geldbedrag dat nodig is om de productie van een
bepaald jaar te kopen. Als productie stijgt hebben mensen meer geld nodig om de extra producten te kunnen
kopen. P x Q is de waarde van de productie. Hoe groter de omloopsnelheid van het geld in een economie is,
hoe minder geld er nodig is.
De omloopsnelheid van geld hangt af van technologische ontwikkelingen in betalingsverkeer en
betalingsgewoonten. Dit verandert niet van vandaag of morgen dus is de omloopsnelheid op korte termijn
,constant. De omloopsnelheid hangt ook af van de rente. Lage rente leidt tot lage omloopsnelheid van geld en
hoge rente tot hoge omloopsnelheid van geld.
Paragraaf 1.2 - Monetair beleid
In de eurozone voert de ECB het monetair beleid. Zij maakt samen met de centrale banken van de EU-
lidstaten deel uit van het Europese Stelstel van Centrale Banken (ESCB), die de prijsstabiliteit in de EU
bevorderen. Het Eurosysteem bestaat uit de ECB en de nationale centrale banken van de eurolanden. Taken
van de ECB zijn: uitvoering van monetair beleid, uitgifte van bankbiljetten, beheer van valutareserves van
landen van eurogebied, interventie op valutamarkt, bevordering van efficiënt betalingsverkeer in Europa,
toezicht op banken.
Monetair beleid moet ervoor zorgen dat de geldhoeveelheid geen ongunstige invloed heeft op de economie.
Door te veel geld stijgen de prijzen, door te weinig geld daalt de productie. Als de prijzen stabiel zijn, kan geld
zijn functies goed vervullen, dit is een voorwaarde voor economische groei.
De ECB definieert prijsstabiliteit als een inflatie van op, of net onder 2%. Liever niet in de buurt van 0, want
dan dreigt negatieve inflatie of deflatie. Negatieve inflatie is als de prijzen maar kort dalen, het heeft weinig
invloed op gedrag van mensen, dus ook niet op economische groei. Echter kan dit wel overgaan in deflatie.
Dit is een langdurige en algemene daling van prijspeil. Consumenten gaan bestedingen uitstellen, waardoor
de productie afneemt en de prijzen verder dalen. Ook voor het afbetalen van schulden is het ongunstig. De
reële schuldenlast neemt toe.
De ECB voert het monetair beleid op basis van de verwachte inflatie. Uit deze analyses leidt de ECB een
inflatieverwachting af. De bank baseert haar inflatieverwachting op 2 pijlers:
Monetaire analyse: Hierbij kijkt de ECB naar ontwikkeling van de geldhoeveelheid (M3). Als M stijgt, stijgen
de prijzen bij gelijkblijvende productie. Inflatie ontstaat dus als er ‘te veel geld achter te weinig goederen
aanjaagt’. De ECB bepaalt de referentie- of streefwaarde voor de groei van M3. Dit is het tempo van de
geldgroei dat toelaatbaar is voor prijsstabiliteit. Deze waarde wordt vastgesteld obv de kwantiteitstheorie. De
ECB bepaalt eerst de geldgroei die nodig is om de groei van de productie te financieren. Gebruik M + V = P +
Q. Je weet dat P max 2% mag zijn. Q en V zijn gegeven, dus je moet M berekenen. Als de werkelijke M groter
is dan de streefwaarde M, beoordeelt de ECB de oorzaken.
Economische analyse: Hierbij onderzoekt de ECB de invloed van
allerlei economische variabelen op de inflatie, dit zijn inflatie-
indicatoren (conjunctuur, grondstofprijzen, lonen, wisselkoers). De
inflatie stijgt bij hoogconjunctuur, stijgende grondstofprijzen en lonen en
bij dalende wisselkoers van euro (import prijzen in euro’s stijgen).
Instrumenten van het monetair beleid:
Conventionele of normale instrumenten: De ECB kan voorkomen dat mensen te veel geld betalen voor te
weinig producten door kredietverlening te beperken (wel greep op liquiditeitspositie van banken). De ECB
zorgt dat banken in het eurogebied altijd geld tekort komen, zodat ze dit geldmarkttekort lenen bij de ECB. Via
het hoeveelheidsbeleid beïnvloedt de ECB de hoogte van het bedrag dat banken moeten lenen. Er is ook
prijsbeleid: de ECB stelt de rente vast die banken moeten betalen. Beide beleiden
beïnvloeden de kosten die banken maken voor de kredietverlening aan klanten
(doorberekenen in rente). Hoge rente, vermindert de kans op inflatie.
- Hoeveelheidsbeleid: beïnvloeding van het geldmarkttekort: Het belangrijkste
instrument hiervan is de reserveverplichting, dit zorgt ervoor dat banken
voortdurend geld tekort komen. Het is een bedrag dat banken moeten storten op
een rekening bij de ECB, waarover zij tijdelijk niet kunnen beschikken
(geblokkeerd tegoed). Het wordt ingezet als banken erg ruim bij kas zitten,
waardoor banken weer een tekort krijgen en ze moeten lenen bij de ECB,
waardoor de ECB de rente weer kan sturen. Bij een plotselinge verandering kan
de ECB snel reageren door openmarktpolitiek, waarbij ze waardepapieren of vreemde valuta’s verhandelen
met banken. Als de liquiditeitspositie van banken verslechtert, koop de ECB waardepapieren of vreemde
valuta’s van de banken met euro’s, waardoor liquiditeitspositie van banken onmiddellijk verbetert. Is wel op
termijn, dus wordt na tijd terug geruild waardoor positie weer verslechtert.
- Prijsbeleid: bepaling van de beleidsrentes: Om geldmarkttekort te financieren mogen banken beroep doen
op basisherfinancieringstransacties. Banken mogen dan voor een korte periode (week) geld lenen van de
ECB. De bank krijgt alleen krediet tegen onderpand (staatsobligatie) ter bescherming van ECB. ECB bepaalt
hoeveel banken mogen lenen en tegen welke rente, de rente heet basisherfinancieringsrente of
beleidsrente. Banken berekenen deze rente door in rente die zij elkaar in rekening brengen. Deze rente,
, Euro InterBank Offered Rate (Euribor), ligt normaliter dus iets boven de beleidsrente. Euribor is de basis voor
de rente die banken aan klanten berekenen. Hierdoor kan ECB de rente dus in gewenste richting sturen. Het
beroep op basisherfinancieringstransacties is beperkt tot maximumbedrag dat de ECB bepaalt. Dat geldt niet
voor de permanente faciliteiten die banken hebben bij de ECB: de marginale beleningsfaciliteit en de
depositofaciliteit. Soms heeft een bank een roodstand bij de ECB niet volledig afgedekt met een lening tegen
de beleidsrente. De ECB verstrekt dan automatisch een extra lening van een dag tegen de marginale
beleningsrente. Deze rente ligt meestal duidelijk boven Euribor. Daarom zal de bank de extra lening zo snel
mogelijk aflossen met geleend geld van collega-bank. Omdat banken de marginale beleningsfaciliteit
onbeperkt en permanent mogen gebruiken, kan Euribor nooit boven de marginale beleningsrente komen. Een
bank zal nooit tegen Euribor lenen als ze bij de ECB minder hoeft te betalen. Door de reserveverplichting
staan banken in het rood bij de ECB. Ze mogen variëren als ze gemiddeld maar voldoen aan de reserve-
verplichting in een periode. Vaak storten banken aan het begin van de periode veel op hun rekening,
waardoor ze aan het eind minder hoeven te storten, waardoor ze aan het eind van de periode soms geld over
houden. Dat geld kunnen ze op een deposito zetten bij de ECB tegen de depositorente. Omdat de
depositofaciliteit permanent en onbeperkt beschikbaar is, kan Euribor nooit onder de depositorente zakken.
Een bank zal nooit liquide middelen tegen Euribor op een deposito zetten als zij bij de ECB meer rente kan
krijgen.
Onconventionele of ongebruikelijke instrumenten: Dit beleid heeft als doel deflatie te voorkomen en het
economische herstel te bevorderen. Banken kunnen bijv. overgaan tot kwantitatieve verruiming. Hierbij koopt
een centrale bank waardepapieren (obligaties) van banken waardoor het nieuw giraal geld in de economie
pompt, waardoor de bestedingen en de economische groei stijgen. Tevens groter aanbod op valutamarkt,
waardoor de koers daalt. Dit stimuleert de export, waardoor weer economische groei. Bij kredietverruiming
koopt de centrale bank met nieuw geld bepaalde waardepapieren. Het extra geld dat de ECB dan in de markt
pompt leidt tot lagere rentes, waardoor de kredietverlening gestimuleerd wordt. Kwantitatieve verruiming is
bedenkelijk, want je kunt wel extra geld in economie pompen, maar als je er geen spullen voor kan kopen,
bereik je je doel niet. Ook zorgen het voor een lagere koers van de euro, maar deze economische groei ging
ten koste van de groei buiten het eurogebied. Hierdoor krijg je valutaoorlog, want buitenlandse centrale
banken doen hetzelfde. Er is ook kritiek op het opkopen van staatsobligaties van landen met
overheidstekorten. Ze kunnen hierdoor makkelijk aan geld komen en hoeven minder moeite te doen om
financiën op orde te brengen. Ook krijgt de ECB hierdoor steeds meer risicovolle staatsobligaties.
Paragraaf 2.1 (22.1) - Comparatieve kostentheorie en vrijhandel
Handel ontstaat door internationale kostenverschillen. Door specialisatie en handel neemt de welvaart dus
toe, want beide landen kunnen door specialisatie één van de twee producten goedkoper maken. Als een land
beide producten efficiënter produceert kan er ook wederzijds voordeel en internationale handel ontstaan.
Absolute kosten zijn de daadwerkelijk gegeven kosten. Beide landen profiteren van handel als ze zich
specialiseren in het product dat ze relatief goedkoop produceren. De relatieve kosten van een product zijn
de kosten van dat product uitgedrukt in ander product. Het gaat er eigenlijk om hoeveel je van product Y zou
kunnen maken ipv 1 product X. Er kan dus verschil zitten in welk land zich waarin gaat specialiseren.
Internationale handel hangt dus af van relatieve kostenverschillen.
Comparatieve kostenverschillen ontstaan door internationale verschillen in de prijs en kwaliteit van
productiefactoren. De prijs van productiefactor hangt af van het aanbod (bijv. lageloonlanden). De kwaliteit
van productiefactor blijkt uit arbeidsproductiviteit. Als productiviteit toeneemt, ontwikkelt het land comparatieve
voordelen in steeds weer nieuwe productieprocessen. Na een tijd verdwijnen deze kostenvoordelen weer,
omdat de lonen zich aanpassen aan hogere productiviteit.
Handelsstromen verschuiven, omdat relatieve kostenvoordelen steeds veranderen. Dit komt door de
productlevenscyclus. Productinnovatie ontstaat in ontwikkelde industrielanden. De introductiefase vind
daarom plaats in ontwikkelde industrielanden. Tijdens groei- en verzadigingsfase zien we standaardisering
van product(ieproces). Bedrijven verplaatsen delen van productieproces naar opkomende industrielanden. In
de teruggangfase is er voor volledig gestandaardiseerde productieproces alleen nog ongeschoolde arbeid
nodig. Bedrijven produceren nu in opkomende industrielanden en ontwikkelingslanden (zie blz. 499 tabel).
Comparatieve kostentheorie laat zien dat internationale handel een win-win situatie is, het is daarom
belangrijk argument voor vrijhandel. Theorie wel aantal tekortkomingen: het gaat uit van homogene producten
Hierdoor bepalen kostenverschillen de productielocatie. De theorie is dus geschikt om internationale handel
tussen bedrijfstakken te verklaren. Binnen bedrijfstakken niet zo, want Europa exporteert bijv. vliegtuigen en
auto’s, maar importeert deze ook. Als iets een heterogeen product is, hoeven kostenverschillen niet
doorslaggevend te zijn voor de productielocatie, wij willen bijv Jupiler uit België en België wil Heineken uit
Week 1
Paragraaf 1.0
Als mensen te veel geld hebben om producten te kopen, neemt het gevaar op inflatie toe. Het monetair beleid
van de Europese Central Bank (ECB) heeft als doel de inflatie in het eurogebied op, of net onder de 2% te
houden. De ECB gebruikt de beleidsrente om dit doel te bereiken.
Bij hoge inflatie is het moeilijk om winstgevend te zijn, want afnemers hebben minder koopkracht, dus kopen
liever producten in het buitenland. Ze stellen betalingen uit, omdat het geld iedere dag minder waard wordt.
Paragraaf 1.1
Motieven voor het aanhouden van geld
1. De vraag naar geld op grond van het transactiemotief is dat gezinnen en bedrijven geld nodig
hebben om producten te kopen. De vraag naar geld voor transacties noemen we ook wel de vraag
naar actief kasgeld.
2. Huishoudens en bedrijven houden geld aan uit voorzorg tegen financiële tegenvallers (dure spullen
plotseling kapot of plotselinge afzetdaling). Het geld dat huishoudens aanhouden uit voorzorg noemen
we de vraag naar geld op grond van het voorzorgsmotief.
3. Huishoudens houden geld aan als oppotmiddel of vermogensbestanddeel. Dit is de vraag naar geld
op grond van het speculatiemotief. Liquide middelen zijn onderdeel van beleggingsportefeuille.
Offensieve beleggers willen hoog risico (minimale/geen liquide middelen), defensieve beleggers willen
weinig risico lopen en houden daarom veel liquide middelen aan. Dit is te zien in
modelbeleggingsportefeuilles naar risicoprofiel. Beleggers houden meer geld aan als de prijzen van
aandelen, vastgoed of obligaties. In tijden van politieke, sociale en economische onrust neemt de
vraag naar geld als vermogensbestanddeel toe.
Geld uit voorzorg of vermogensbestanddeel, gebruiken ze niet direct voor aankopen. Vraag naar geld op
grond van voorzorgs- en speculatiemotief heten samen ook de vraag naar inactief kasgeld. Dit hangt af van
de hoogte van de rente. Hoe hoger de rente, hoe hoger de gemiste opbrengsten van kasgeld zijn. Ook de
renteverwachting heeft invloed op de vraag naar inactief kasgeld. De rente heeft een sterke invloed op de
koersen van obligaties en aandelen (rentestijging = daling koersen). De aandelenkoersen dalen omdat een
rentestijging van obligaties/aandelen de winst van ondernemingen aantast en aandelen minder aantrekkelijk
maakt in vergelijking met bijvoorbeeld een spaartegoed. De vraag naar inactief kasgeld neemt dus toe als
beleggers een stijging van de rente verwachten, want ze willen hun obligaties/aandelen verkopen in ruil voor
geld. Nadat de rente is gestegen, kopen zij de obligaties en aandelen tegen een lagere koers.
De vraag naar inactief kasgeld is hoog bij een lage rente en/of een verwachte rentestijging. Het omgekeerde
is het geval bij een hoge rente en/of een verwachte rentedaling.
Bij een hoge rente zullen gezinnen en huishoudens daarom weinig inactief kasgeld aanhouden.
Omgekeerd zullen ze juist veel inactief kasgeld aanhouden als de rente laag is????
Kwantitetistheorie van de vraag naar geld
Met behulp van de kwantiteitstheorie kunnen we de behoefte aan liquide middelen in een economie
analyseren. De vraag van geld hangt hierbij af van de nominale waarde van de producten en de
omloopsnelheid van het geld: M x V = P x Q (verkeersvergelijking Fisher)
M = (vereiste) geldhoeveelheid
V = omloopsnelheid van het geld (aantal keren per jaar dat een geldeenheid wordt gebruikt voor de aanschaf
van goederen en diensten die deel uitmaken van het bbp)
P = prijsniveau van het bbp
Q = volume van het bbp
P x Q is gelijk aan de vraag naar geld dat afhangt van het geldbedrag dat nodig is om de productie van een
bepaald jaar te kopen. Als productie stijgt hebben mensen meer geld nodig om de extra producten te kunnen
kopen. P x Q is de waarde van de productie. Hoe groter de omloopsnelheid van het geld in een economie is,
hoe minder geld er nodig is.
De omloopsnelheid van geld hangt af van technologische ontwikkelingen in betalingsverkeer en
betalingsgewoonten. Dit verandert niet van vandaag of morgen dus is de omloopsnelheid op korte termijn
,constant. De omloopsnelheid hangt ook af van de rente. Lage rente leidt tot lage omloopsnelheid van geld en
hoge rente tot hoge omloopsnelheid van geld.
Paragraaf 1.2 - Monetair beleid
In de eurozone voert de ECB het monetair beleid. Zij maakt samen met de centrale banken van de EU-
lidstaten deel uit van het Europese Stelstel van Centrale Banken (ESCB), die de prijsstabiliteit in de EU
bevorderen. Het Eurosysteem bestaat uit de ECB en de nationale centrale banken van de eurolanden. Taken
van de ECB zijn: uitvoering van monetair beleid, uitgifte van bankbiljetten, beheer van valutareserves van
landen van eurogebied, interventie op valutamarkt, bevordering van efficiënt betalingsverkeer in Europa,
toezicht op banken.
Monetair beleid moet ervoor zorgen dat de geldhoeveelheid geen ongunstige invloed heeft op de economie.
Door te veel geld stijgen de prijzen, door te weinig geld daalt de productie. Als de prijzen stabiel zijn, kan geld
zijn functies goed vervullen, dit is een voorwaarde voor economische groei.
De ECB definieert prijsstabiliteit als een inflatie van op, of net onder 2%. Liever niet in de buurt van 0, want
dan dreigt negatieve inflatie of deflatie. Negatieve inflatie is als de prijzen maar kort dalen, het heeft weinig
invloed op gedrag van mensen, dus ook niet op economische groei. Echter kan dit wel overgaan in deflatie.
Dit is een langdurige en algemene daling van prijspeil. Consumenten gaan bestedingen uitstellen, waardoor
de productie afneemt en de prijzen verder dalen. Ook voor het afbetalen van schulden is het ongunstig. De
reële schuldenlast neemt toe.
De ECB voert het monetair beleid op basis van de verwachte inflatie. Uit deze analyses leidt de ECB een
inflatieverwachting af. De bank baseert haar inflatieverwachting op 2 pijlers:
Monetaire analyse: Hierbij kijkt de ECB naar ontwikkeling van de geldhoeveelheid (M3). Als M stijgt, stijgen
de prijzen bij gelijkblijvende productie. Inflatie ontstaat dus als er ‘te veel geld achter te weinig goederen
aanjaagt’. De ECB bepaalt de referentie- of streefwaarde voor de groei van M3. Dit is het tempo van de
geldgroei dat toelaatbaar is voor prijsstabiliteit. Deze waarde wordt vastgesteld obv de kwantiteitstheorie. De
ECB bepaalt eerst de geldgroei die nodig is om de groei van de productie te financieren. Gebruik M + V = P +
Q. Je weet dat P max 2% mag zijn. Q en V zijn gegeven, dus je moet M berekenen. Als de werkelijke M groter
is dan de streefwaarde M, beoordeelt de ECB de oorzaken.
Economische analyse: Hierbij onderzoekt de ECB de invloed van
allerlei economische variabelen op de inflatie, dit zijn inflatie-
indicatoren (conjunctuur, grondstofprijzen, lonen, wisselkoers). De
inflatie stijgt bij hoogconjunctuur, stijgende grondstofprijzen en lonen en
bij dalende wisselkoers van euro (import prijzen in euro’s stijgen).
Instrumenten van het monetair beleid:
Conventionele of normale instrumenten: De ECB kan voorkomen dat mensen te veel geld betalen voor te
weinig producten door kredietverlening te beperken (wel greep op liquiditeitspositie van banken). De ECB
zorgt dat banken in het eurogebied altijd geld tekort komen, zodat ze dit geldmarkttekort lenen bij de ECB. Via
het hoeveelheidsbeleid beïnvloedt de ECB de hoogte van het bedrag dat banken moeten lenen. Er is ook
prijsbeleid: de ECB stelt de rente vast die banken moeten betalen. Beide beleiden
beïnvloeden de kosten die banken maken voor de kredietverlening aan klanten
(doorberekenen in rente). Hoge rente, vermindert de kans op inflatie.
- Hoeveelheidsbeleid: beïnvloeding van het geldmarkttekort: Het belangrijkste
instrument hiervan is de reserveverplichting, dit zorgt ervoor dat banken
voortdurend geld tekort komen. Het is een bedrag dat banken moeten storten op
een rekening bij de ECB, waarover zij tijdelijk niet kunnen beschikken
(geblokkeerd tegoed). Het wordt ingezet als banken erg ruim bij kas zitten,
waardoor banken weer een tekort krijgen en ze moeten lenen bij de ECB,
waardoor de ECB de rente weer kan sturen. Bij een plotselinge verandering kan
de ECB snel reageren door openmarktpolitiek, waarbij ze waardepapieren of vreemde valuta’s verhandelen
met banken. Als de liquiditeitspositie van banken verslechtert, koop de ECB waardepapieren of vreemde
valuta’s van de banken met euro’s, waardoor liquiditeitspositie van banken onmiddellijk verbetert. Is wel op
termijn, dus wordt na tijd terug geruild waardoor positie weer verslechtert.
- Prijsbeleid: bepaling van de beleidsrentes: Om geldmarkttekort te financieren mogen banken beroep doen
op basisherfinancieringstransacties. Banken mogen dan voor een korte periode (week) geld lenen van de
ECB. De bank krijgt alleen krediet tegen onderpand (staatsobligatie) ter bescherming van ECB. ECB bepaalt
hoeveel banken mogen lenen en tegen welke rente, de rente heet basisherfinancieringsrente of
beleidsrente. Banken berekenen deze rente door in rente die zij elkaar in rekening brengen. Deze rente,
, Euro InterBank Offered Rate (Euribor), ligt normaliter dus iets boven de beleidsrente. Euribor is de basis voor
de rente die banken aan klanten berekenen. Hierdoor kan ECB de rente dus in gewenste richting sturen. Het
beroep op basisherfinancieringstransacties is beperkt tot maximumbedrag dat de ECB bepaalt. Dat geldt niet
voor de permanente faciliteiten die banken hebben bij de ECB: de marginale beleningsfaciliteit en de
depositofaciliteit. Soms heeft een bank een roodstand bij de ECB niet volledig afgedekt met een lening tegen
de beleidsrente. De ECB verstrekt dan automatisch een extra lening van een dag tegen de marginale
beleningsrente. Deze rente ligt meestal duidelijk boven Euribor. Daarom zal de bank de extra lening zo snel
mogelijk aflossen met geleend geld van collega-bank. Omdat banken de marginale beleningsfaciliteit
onbeperkt en permanent mogen gebruiken, kan Euribor nooit boven de marginale beleningsrente komen. Een
bank zal nooit tegen Euribor lenen als ze bij de ECB minder hoeft te betalen. Door de reserveverplichting
staan banken in het rood bij de ECB. Ze mogen variëren als ze gemiddeld maar voldoen aan de reserve-
verplichting in een periode. Vaak storten banken aan het begin van de periode veel op hun rekening,
waardoor ze aan het eind minder hoeven te storten, waardoor ze aan het eind van de periode soms geld over
houden. Dat geld kunnen ze op een deposito zetten bij de ECB tegen de depositorente. Omdat de
depositofaciliteit permanent en onbeperkt beschikbaar is, kan Euribor nooit onder de depositorente zakken.
Een bank zal nooit liquide middelen tegen Euribor op een deposito zetten als zij bij de ECB meer rente kan
krijgen.
Onconventionele of ongebruikelijke instrumenten: Dit beleid heeft als doel deflatie te voorkomen en het
economische herstel te bevorderen. Banken kunnen bijv. overgaan tot kwantitatieve verruiming. Hierbij koopt
een centrale bank waardepapieren (obligaties) van banken waardoor het nieuw giraal geld in de economie
pompt, waardoor de bestedingen en de economische groei stijgen. Tevens groter aanbod op valutamarkt,
waardoor de koers daalt. Dit stimuleert de export, waardoor weer economische groei. Bij kredietverruiming
koopt de centrale bank met nieuw geld bepaalde waardepapieren. Het extra geld dat de ECB dan in de markt
pompt leidt tot lagere rentes, waardoor de kredietverlening gestimuleerd wordt. Kwantitatieve verruiming is
bedenkelijk, want je kunt wel extra geld in economie pompen, maar als je er geen spullen voor kan kopen,
bereik je je doel niet. Ook zorgen het voor een lagere koers van de euro, maar deze economische groei ging
ten koste van de groei buiten het eurogebied. Hierdoor krijg je valutaoorlog, want buitenlandse centrale
banken doen hetzelfde. Er is ook kritiek op het opkopen van staatsobligaties van landen met
overheidstekorten. Ze kunnen hierdoor makkelijk aan geld komen en hoeven minder moeite te doen om
financiën op orde te brengen. Ook krijgt de ECB hierdoor steeds meer risicovolle staatsobligaties.
Paragraaf 2.1 (22.1) - Comparatieve kostentheorie en vrijhandel
Handel ontstaat door internationale kostenverschillen. Door specialisatie en handel neemt de welvaart dus
toe, want beide landen kunnen door specialisatie één van de twee producten goedkoper maken. Als een land
beide producten efficiënter produceert kan er ook wederzijds voordeel en internationale handel ontstaan.
Absolute kosten zijn de daadwerkelijk gegeven kosten. Beide landen profiteren van handel als ze zich
specialiseren in het product dat ze relatief goedkoop produceren. De relatieve kosten van een product zijn
de kosten van dat product uitgedrukt in ander product. Het gaat er eigenlijk om hoeveel je van product Y zou
kunnen maken ipv 1 product X. Er kan dus verschil zitten in welk land zich waarin gaat specialiseren.
Internationale handel hangt dus af van relatieve kostenverschillen.
Comparatieve kostenverschillen ontstaan door internationale verschillen in de prijs en kwaliteit van
productiefactoren. De prijs van productiefactor hangt af van het aanbod (bijv. lageloonlanden). De kwaliteit
van productiefactor blijkt uit arbeidsproductiviteit. Als productiviteit toeneemt, ontwikkelt het land comparatieve
voordelen in steeds weer nieuwe productieprocessen. Na een tijd verdwijnen deze kostenvoordelen weer,
omdat de lonen zich aanpassen aan hogere productiviteit.
Handelsstromen verschuiven, omdat relatieve kostenvoordelen steeds veranderen. Dit komt door de
productlevenscyclus. Productinnovatie ontstaat in ontwikkelde industrielanden. De introductiefase vind
daarom plaats in ontwikkelde industrielanden. Tijdens groei- en verzadigingsfase zien we standaardisering
van product(ieproces). Bedrijven verplaatsen delen van productieproces naar opkomende industrielanden. In
de teruggangfase is er voor volledig gestandaardiseerde productieproces alleen nog ongeschoolde arbeid
nodig. Bedrijven produceren nu in opkomende industrielanden en ontwikkelingslanden (zie blz. 499 tabel).
Comparatieve kostentheorie laat zien dat internationale handel een win-win situatie is, het is daarom
belangrijk argument voor vrijhandel. Theorie wel aantal tekortkomingen: het gaat uit van homogene producten
Hierdoor bepalen kostenverschillen de productielocatie. De theorie is dus geschikt om internationale handel
tussen bedrijfstakken te verklaren. Binnen bedrijfstakken niet zo, want Europa exporteert bijv. vliegtuigen en
auto’s, maar importeert deze ook. Als iets een heterogeen product is, hoeven kostenverschillen niet
doorslaggevend te zijn voor de productielocatie, wij willen bijv Jupiler uit België en België wil Heineken uit