1. a) In de Griekse wereld begonnen in de tweede helft van de
vijfde eeuw en het begin van de vierde eeuw v. Chr.
rondtrekkende leraren tegen betaling les te geven in retorica. Ook
dachten zij na over staat, maatschappij, taal en over de normen
voor het menselijk gedrag. Hoe worden deze leraren genoemd en
welke stad was het brandpunt van hun activiteiten?
Sofisten (1 punt), Athene (1 punt)
b) Socrates staat te boek als een van de grote bestrijders van
deze filosofen. In 399 werd hij veroordeeld tot het drinken van de
gifbeker. Waarom werd hij terecht gesteld?
Hij zou de jeugd bedorven hebben (2 punten). Bonuspunt wanneer
vermeld wordt dat de Atheners zijn gevraag naar definitie en precieze
inhoud van bepaalde begrippen (wijsheid, vroomheid, e.d.) griezelig
vonden en hem als de ergste sofist beschouwden.
c) Plato (429-347) was de belangrijkste leerling van Socrates. Hoe
zag Plato de ideale staat?
- sobere agrarische polis, met een beperkt, stabiel aantal burgers (0,5
punt)
- burgers in drie standen verdeeld: filosofen/regenten, wachters en
werkers (0,5 punt).
- de filosofen moesten in een lange opleiding geschoold worden in kennis
van de ideai en deskundigheid in het besturen en rechtspreken. Zij zouden
zowel de juiste morele grondslag als de vereiste vaardigheid hebben om
het best denkbare bestuur te leveren (0,5 punt).
- de wachters moesten de staat verdedigen en militair en moreel geoefend
worden (0,5 punt).
- de werkers moesten de twee hogere standen onderhouden en het nodige
voor de samenleving produceren. Zij mochten geen politieke inspraak
hebben (0,5 punt). Om eigenbaat uit te sluiten wilde Plato de filosofen het
recht op eigen bezit en eigen gezinnen ontzeggen (0,25 punt).
- de twee hoogste standen mochten niet erfelijk zijn: in elke generatie
moesten de meest geschikten, met de beste aanleg, uitgezocht worden
(0,25 punt).
d) Vergelijk de ideeen van Plato over de ideale staat met die van
Plato's leerling Aristoteles (384-322). Noem minstens een
overeenkomst en een verschil.
Verschil:
- alle burgers waren in staat mee te doen in het bestuur, bij Plato hadden
de werkers geen politieke inspraak
Overeenkomst:
- beiden gingen uit van de polis
- volksvergadering geleid door adviezen van deskundigen, bij Plato
bestuurden de filosofen, deskundig in besturen en rechtspreken, de polis
(‘meest geschikten’)