Oefentoets 1
Praktijk
1. Een hersteldrank moet:
a. 6-18% koolhydraten bevatten
b. 6-8% koolhydraten bevatten
c. 4-6% koolhydraten bevatten
2. Binnen 2 uur na de inspanning moet 20-25 gram eiwit ingenomen worden
a. Juist
b. Onjuist
3. Hoeveel koolhydraten moet je innemen tijdens een inspanning van een half uur
a. Je hoeft niks extra’s in te nemen
b. 60 gram koolhydraten
c. 90 gram koolhydraten
4. Hoeveel procent van de Nederlanders gebruikt voedingssupplementen?
a. Ongeveer 30%
b. Ongeveer 50%
c. Ongeveer 80%
5. Opvolgzuigelingenvoeding is:
a. Volledige zuigelingenvoeding
b. Aanvullende zuigelingenvoeding
c. Voor kinderen ouder dan 12 maanden
6. Wat moet er op het etiket van volledige zuigelingenvoeding staan?
a. Bereidingswijze
b. Voedingsclaims
c. Afbeeldingen van baby’s
7. Hyperemesis gravidarum is vaak na 4 maanden voorbij
a. Juist
b. Onjuist, na 6 maanden
c. Onjuist, na 9 weken
8. Drinkvoeding wordt ook wel … genoemd
a. Opvolgvoeding
b. Aanvullende voeding
c. Voeding voor medisch gebruik
9. Baby’s mogen hapjes proeven vanaf
a. 4 maanden
b. 6 maanden
c. 8 maanden
10. Moedermelk is beter dan flesvoeding omdat
a. Het vetter is
b. Het altijd een goede portie is
c. Het antistoffen bevat
,Project
1. Het GVO model bestaat uit 4 stappen
a. Werving, uitvoer, afsluiting, terugkoppeling
b. Doelgroep kiezen, plannen, uitvoeren, evalueren
c. Analyse van probleem, analyse van gedrag, analyse van omgeving, analyse
van determinanten
d. Analyse, ontwerp, uitvoer, evaluatie
2. Het I-Change model bestaat uit (meerdere antwoorden mogelijk)
a. Persoonlijke factoren
b. Biologische factoren
c. Psychologische factoren
d. Motivatie
e. Actie ondernemen
f. Kennis
3. SSPS gebruik je bij (2 antwoorden mogelijk)
a. Kwantitatief onderzoek
b. Kwalitatief onderzoek
c. Deskresearch
d. Fieldresearch
, Biologie
1. Bij osmose bewegen
a. Gassen van een hoge naar een lage concentratie
b. Vloeistoffen van een hoge naar een lage concentratie
c. Deeltjes van een hoge naar een lage concentratie
2. Bij passief transport
a. Wordt er energie verbruikt
b. Komt er energie vrij
c. Wordt er geen energie gebruikt en komt er geen energie vrij
3. Hoeveel procent van het bloed dat het hart rondpompt wordt gebruikt door het hart
zelf?
a. 5%
b. 10%
c. 15%
4. Waar komen de lymfevaten en de bloedvaten samen
a. In het hart
b. In de thorax
c. In de vena cava superior
d. In de vena subclavia
5. Pfeiffer is een ziekte aan de
a. Lymfeklieren
b. Bloedvaten
c. Hersenen
d. Longen
6. Wat valt er niet onder het endocriene stelsel?
a. De bijnieren
b. De hypofyse
c. De kleine hersenen
d. De schildklieren
7. Wat is geen functie van speeksel?
a. Smering van voedsel
b. Verteren van eiwitten
c. Niet-specifieke zelfverdediging
8. Welke stoffen zitten in de urine?
a. Eiwitten
b. Medicijnen
c. Vetten
d. Bilirubine
9. Vanaf hoeveel maanden kan de foetus buiten de baarmoeder overleven?
a. Vanaf 3 maanden
b. Vanaf 4 maanden
c. Vanaf 6 maanden
10. Gefaciliteerde diffusie kan alleen plaatsvinden door …
a. Carriers