Samenvatting Bedrijfseconomie Semester 2.1
Hoofdstuk 5
Paragraaf 5.1
De kostprijs van een dienst of product is een belangrijk sturingsinstrument voor een organisatie. Als een
onderneming in staat is het product voort te brengen tegen een kostprijs die lager is dan de gegeven
verkoopprijs, zal de onderneming winstgevend zijn.
Paragraaf 5.2
Variabele kosten: Als de kosten veranderen ten gevolge van een verandering in de omvang van de
activiteiten, de bedrijfsdrukte. Onder bedrijfsdrukte verstaan we de mate waarin een organisatie gebruikmaakt
van de beschikbare capaciteit. Er zijn 3 soorten variabele kosten:
o Proportioneel variabele kosten: De kosten veranderen recht evenredig met een verandering in de
bedrijfsdrukte. De variabele kosten per product zullen gelijk blijven.
o Progressief variabele kosten: De kosten veranderen meer dan evenredig ten gevolge van een
verandering in de bedrijfsdrukte. De kosten per product nemen toe, bijvoorbeeld overuren of kosten
door overbelasting van het productieapparaat.
o Degressief variabele kosten: De kosten veranderen minder dan evenredig ten gevolge van een
verandering in de bedrijfsdrukte. De kosten per product zullen afnemen, dit is bijvoorbeeld als er
wordt uitgegaan van een lage bedrijfsdrukte, maar de productie toch wordt verhoogd.
De variabele kosten kunnen ook trapsgewijs veranderen, met kleine sprongetjes. Trapsgewijs variabele
kosten zijn het gevolg van het feit dat bepaalde productiemiddelen slecht in beperkte mate deelbaar zijn. Dit
is bijvoorbeeld het geval met kleine machines of het voorbeeld van zeecontainers.
Vaste kosten zijn kosten die niet veranderen ten gevolge van een verandering in de bedrijfsdrukte. Ze
veranderen niet zolang de productieomvang binnen de beschikbare capaciteit van de onderneming ligt en
heten daarom ook wel capaciteitskosten. Voor de bepaling van de hoogte van de vaste kosten gaat men uit
van het relevante productiegebied. Ook de vaste verloopt trapsgewijs.
Voor het ene bedrijf kunnen kosten vast zijn, die bij het andere (grotere)
bedrijf variabel zijn.
Gemengde kosten hebben een gedeelte vaste kosten en een gedeelte
variabele kosten, bijvoorbeeld elektriciteit.
Paragraaf 5.3
In een kostprijs moeten de vaste- en variabele kosten worden opgenomen. Het totaal van de vaste en
variabele kosten noemen we integrale kosten.
Kostprijsberekening bij een dienstverlenende organisatie:
Bij dienstverlening betalen klanten per uur. In de kostprijs van een uur dienstverlening moeten alle kosten van
de organisatie verwerkt worden, waarna deze kostprijs wordt verhoogd met een winstopslag om het uurtarief
vast te stellen. Het is belangrijk dat iedere medewerker nauwkeurig vastlegt hoeveel tijd voor een bepaalde
klant is gewerkt. De urenregistratie is de basis voor de facturering aan de klant, de uitbetaling van lonen en de
managementinformatie. De uurtarieven en de urenregistratie vormen de basis van de bedrijfsopbrengsten en
de beoordeling van het financiële resultaat. Om tot een juiste kostprijs te komen moet je de volgende vragen
beantwoorden:
1. Kan de medewerker alle werkzaamheden uitvoeren of is specialisatie wenselijk?
Een medewerker moet zich bezig houden met de taken die bij de zwaarte van zijn of haar functie
passen.
2. Kunnen alle uren gedeclareerd worden aan cliënten?
Er zijn 3 soorten uren:
- Directe uren: Uren die direct aan de klant zijn toe te rekenen.
- Gewerkte uren die niet rechtstreeks aan de cliënt in rekening kunnen worden gebracht: dit zijn
indirecte uren
- Afwezige uren: Bijvoorbeeld ziekte, studie, feest, vakantie
Al deze kosten moeten in het uurtarief worden verrekend.
, 3. Kunnen alle werkzaamheden op uurbasis worden gefactureerd of worden er ook vaste prijsafspraken
gemaakt?
Er kunnen prijsafspraken worden gemaakt, waarbij er werkzaamheden worden verricht binnen de
prijsafspraak. Dus de prijsafspraak wordt door middel van het urentarief omgezet in uren die
medewerkers krijgen voor hun werkzaamheden.
4. Waaruit bestaan de kosten van dienstverlening?
Het is hierbij belangrijk onderscheid te maken tussen vaste en variabele kosten en directe en indirecte
kosten.
5. Hoe wordt de kostprijs van een direct uur van een medewerker vastgesteld?
De totale salariskosten (dus inclusief sociale lasten, reis- en overige kosten) worden gedeeld door het
aantal directe uren (dus exclusief ziekteverzuim en feest- en verlofdagen).
6. Hoe wordt het uurtarief dat aan de cliënt in rekening wordt gebracht, vastgesteld?
Een dienstverlenende organisatie verkoopt in feite uren. De aan de cliënt bestede uren worden dus
vermenigvuldigd met het uurtarief.
Bij een dienstverlenende organisatie kan een voorraad ontstaan, dit heet onderhanden werk. Dit ontstaat als
er werkzaamheden voor cliënten zijn verricht, maar nog niet in rekening zijn gebracht. De omzet wordt bij
dienstverlenende organisaties geboekt als tegenboeking van het onderhanden werk.
De kostprijs dient als stuurinstrument, omdat ze door middel van het uurtarief plus de marge, de omzet
kunnen berekenen.
Als een producent een monopolie positie bezit, kan hij zijn verkoopprijs vaststellen door de kostprijs met een
bepaalde winstopslag te verhogen. Bij volledige mededinging vergelijkt hij de kostprijs met de gegeven
verkoopprijs.
Je zou de kostprijs kunnen berekenen door de integrale kosten (variabele kosten + vaste kosten) te delen
door de werkelijke productieomvang. Bij vaststelling van de verkoopprijs van een product gaat de
onderneming uit van de lange termijn, om vele schommelingen te voorkomen. De onderneming gaat daarom
uit van de gemiddelde kosten over een bepaalde tijdsduur. De integrale kostprijs is een kostprijs die
onafhankelijk is van de periode waarin het product toevallig wordt geproduceerd. Je deelt hierbij de integrale
kosten door de gemiddelde bedrijfsdrukte, de normale bezetting. De normale bezetting van een bedrijf is de
gemiddelde productieomvang gedurende een aantal toekomstige jaren. Bij de alle marktvormen behalve
monopolie kan de kostprijs worden gebruikt om te beoordelen of het product winstgevend kan worden
voortgebracht.
De standaardkostprijs wordt gebruikt om de doelmatigheid van het productie- en verkoopproces van een
onderneming te beoordelen. Gelduitgaven die ondoelmatig zijn en dus leiden tot verspilling worden niet
meegenomen in de standaardkostprijs. Verspillingen worden rechtstreeks ten laste van het resultaat gebracht.
De rationele capaciteit is de capaciteit die de machine aankan die het beste bij de minimale capaciteit. Het
verschil tussen de rationale capaciteit en de normale productie heet de rationele overcapaciteit. De
irrationele overcapaciteit is het verschil tussen de productie van de machine die het dichtstbij de minimale
capaciteit zit en de machine waarvoor ze hebben gekozen als deze productie meer bedraagt dan de machine
die het dichtste bij de minimale capaciteit zit. Deze kosten worden niet in de standaardkostprijs opgenomen,
omdat dit verspilling is. De rationele overcapaciteit is onvermijdbaar, dus deze worden wel in de
standaardkostprijs opgenomen.
De standaardkostprijs van een product is gelijk aan de gemiddelde toegestane kosten per product. Dit wordt
berekend door de toegestane kosten per normale productie te delen door de normale productie.
Standaardkostprijs = V/N + C/N (variabele kosten normale productie+vaste kosten)/normale productie
Hoofdstuk 5
Paragraaf 5.1
De kostprijs van een dienst of product is een belangrijk sturingsinstrument voor een organisatie. Als een
onderneming in staat is het product voort te brengen tegen een kostprijs die lager is dan de gegeven
verkoopprijs, zal de onderneming winstgevend zijn.
Paragraaf 5.2
Variabele kosten: Als de kosten veranderen ten gevolge van een verandering in de omvang van de
activiteiten, de bedrijfsdrukte. Onder bedrijfsdrukte verstaan we de mate waarin een organisatie gebruikmaakt
van de beschikbare capaciteit. Er zijn 3 soorten variabele kosten:
o Proportioneel variabele kosten: De kosten veranderen recht evenredig met een verandering in de
bedrijfsdrukte. De variabele kosten per product zullen gelijk blijven.
o Progressief variabele kosten: De kosten veranderen meer dan evenredig ten gevolge van een
verandering in de bedrijfsdrukte. De kosten per product nemen toe, bijvoorbeeld overuren of kosten
door overbelasting van het productieapparaat.
o Degressief variabele kosten: De kosten veranderen minder dan evenredig ten gevolge van een
verandering in de bedrijfsdrukte. De kosten per product zullen afnemen, dit is bijvoorbeeld als er
wordt uitgegaan van een lage bedrijfsdrukte, maar de productie toch wordt verhoogd.
De variabele kosten kunnen ook trapsgewijs veranderen, met kleine sprongetjes. Trapsgewijs variabele
kosten zijn het gevolg van het feit dat bepaalde productiemiddelen slecht in beperkte mate deelbaar zijn. Dit
is bijvoorbeeld het geval met kleine machines of het voorbeeld van zeecontainers.
Vaste kosten zijn kosten die niet veranderen ten gevolge van een verandering in de bedrijfsdrukte. Ze
veranderen niet zolang de productieomvang binnen de beschikbare capaciteit van de onderneming ligt en
heten daarom ook wel capaciteitskosten. Voor de bepaling van de hoogte van de vaste kosten gaat men uit
van het relevante productiegebied. Ook de vaste verloopt trapsgewijs.
Voor het ene bedrijf kunnen kosten vast zijn, die bij het andere (grotere)
bedrijf variabel zijn.
Gemengde kosten hebben een gedeelte vaste kosten en een gedeelte
variabele kosten, bijvoorbeeld elektriciteit.
Paragraaf 5.3
In een kostprijs moeten de vaste- en variabele kosten worden opgenomen. Het totaal van de vaste en
variabele kosten noemen we integrale kosten.
Kostprijsberekening bij een dienstverlenende organisatie:
Bij dienstverlening betalen klanten per uur. In de kostprijs van een uur dienstverlening moeten alle kosten van
de organisatie verwerkt worden, waarna deze kostprijs wordt verhoogd met een winstopslag om het uurtarief
vast te stellen. Het is belangrijk dat iedere medewerker nauwkeurig vastlegt hoeveel tijd voor een bepaalde
klant is gewerkt. De urenregistratie is de basis voor de facturering aan de klant, de uitbetaling van lonen en de
managementinformatie. De uurtarieven en de urenregistratie vormen de basis van de bedrijfsopbrengsten en
de beoordeling van het financiële resultaat. Om tot een juiste kostprijs te komen moet je de volgende vragen
beantwoorden:
1. Kan de medewerker alle werkzaamheden uitvoeren of is specialisatie wenselijk?
Een medewerker moet zich bezig houden met de taken die bij de zwaarte van zijn of haar functie
passen.
2. Kunnen alle uren gedeclareerd worden aan cliënten?
Er zijn 3 soorten uren:
- Directe uren: Uren die direct aan de klant zijn toe te rekenen.
- Gewerkte uren die niet rechtstreeks aan de cliënt in rekening kunnen worden gebracht: dit zijn
indirecte uren
- Afwezige uren: Bijvoorbeeld ziekte, studie, feest, vakantie
Al deze kosten moeten in het uurtarief worden verrekend.
, 3. Kunnen alle werkzaamheden op uurbasis worden gefactureerd of worden er ook vaste prijsafspraken
gemaakt?
Er kunnen prijsafspraken worden gemaakt, waarbij er werkzaamheden worden verricht binnen de
prijsafspraak. Dus de prijsafspraak wordt door middel van het urentarief omgezet in uren die
medewerkers krijgen voor hun werkzaamheden.
4. Waaruit bestaan de kosten van dienstverlening?
Het is hierbij belangrijk onderscheid te maken tussen vaste en variabele kosten en directe en indirecte
kosten.
5. Hoe wordt de kostprijs van een direct uur van een medewerker vastgesteld?
De totale salariskosten (dus inclusief sociale lasten, reis- en overige kosten) worden gedeeld door het
aantal directe uren (dus exclusief ziekteverzuim en feest- en verlofdagen).
6. Hoe wordt het uurtarief dat aan de cliënt in rekening wordt gebracht, vastgesteld?
Een dienstverlenende organisatie verkoopt in feite uren. De aan de cliënt bestede uren worden dus
vermenigvuldigd met het uurtarief.
Bij een dienstverlenende organisatie kan een voorraad ontstaan, dit heet onderhanden werk. Dit ontstaat als
er werkzaamheden voor cliënten zijn verricht, maar nog niet in rekening zijn gebracht. De omzet wordt bij
dienstverlenende organisaties geboekt als tegenboeking van het onderhanden werk.
De kostprijs dient als stuurinstrument, omdat ze door middel van het uurtarief plus de marge, de omzet
kunnen berekenen.
Als een producent een monopolie positie bezit, kan hij zijn verkoopprijs vaststellen door de kostprijs met een
bepaalde winstopslag te verhogen. Bij volledige mededinging vergelijkt hij de kostprijs met de gegeven
verkoopprijs.
Je zou de kostprijs kunnen berekenen door de integrale kosten (variabele kosten + vaste kosten) te delen
door de werkelijke productieomvang. Bij vaststelling van de verkoopprijs van een product gaat de
onderneming uit van de lange termijn, om vele schommelingen te voorkomen. De onderneming gaat daarom
uit van de gemiddelde kosten over een bepaalde tijdsduur. De integrale kostprijs is een kostprijs die
onafhankelijk is van de periode waarin het product toevallig wordt geproduceerd. Je deelt hierbij de integrale
kosten door de gemiddelde bedrijfsdrukte, de normale bezetting. De normale bezetting van een bedrijf is de
gemiddelde productieomvang gedurende een aantal toekomstige jaren. Bij de alle marktvormen behalve
monopolie kan de kostprijs worden gebruikt om te beoordelen of het product winstgevend kan worden
voortgebracht.
De standaardkostprijs wordt gebruikt om de doelmatigheid van het productie- en verkoopproces van een
onderneming te beoordelen. Gelduitgaven die ondoelmatig zijn en dus leiden tot verspilling worden niet
meegenomen in de standaardkostprijs. Verspillingen worden rechtstreeks ten laste van het resultaat gebracht.
De rationele capaciteit is de capaciteit die de machine aankan die het beste bij de minimale capaciteit. Het
verschil tussen de rationale capaciteit en de normale productie heet de rationele overcapaciteit. De
irrationele overcapaciteit is het verschil tussen de productie van de machine die het dichtstbij de minimale
capaciteit zit en de machine waarvoor ze hebben gekozen als deze productie meer bedraagt dan de machine
die het dichtste bij de minimale capaciteit zit. Deze kosten worden niet in de standaardkostprijs opgenomen,
omdat dit verspilling is. De rationele overcapaciteit is onvermijdbaar, dus deze worden wel in de
standaardkostprijs opgenomen.
De standaardkostprijs van een product is gelijk aan de gemiddelde toegestane kosten per product. Dit wordt
berekend door de toegestane kosten per normale productie te delen door de normale productie.
Standaardkostprijs = V/N + C/N (variabele kosten normale productie+vaste kosten)/normale productie