Invloeden op externe/ecologische validiteit:
- Observer reactivity → anders gedragen doordat je geobserveerd wordt.
- Tegengaan door eerste 10 minuten geen observatie, geen interactie en dezelfde
onderzoeker bij meerdere observaties (houd rekening met bias)
- Gestructureerde vs. naturalistische observatie
- Setting: lab vs. thuis.
- Lage correlaties tussen de twee
- In het lab is minder ruis, maar thuis is een hogere validiteit. In het lab zijn
moeders actiever en responsiever en verschillen in uitkomsten nemen af bij
gelijke instructie.
Codeermethodes:
- Gedragsfrequenties → tellen
- Event-based → als het voorkomt, bijvoorbeeld disciplineren
- Micro-level → per tijdseenheid, bijvoorbeeld compliance
- Macro-level → over hele observatie, bijvoorbeeld sensitiviteit
Coder drift = de coderingen gaan afwijken van wat de expert zou doen vanwege de
persoonlijkheid en eigen ideeën van een codeur. Vaak gebeurt dit bij schalen met een hoog
interferentieniveau.
Interferentieniveau = de mate waarin een instrument
gevoelig is voor interpretatie → hoeveelheid training die
nodig is.
Coder bias = systematische variatie in scores die samenhangt met de codeur, bijvoorbeeld
etniciteit → positiever bij participanten met dezelfde achtergrond
Intercodeursbetrouwbaarheid berekenen:
- Cohen’s Kappa → categorieën, goed vanaf 0.7.