College 4
Er is nog weinig onderzoek naar de interacties tussen broertjes en zusjes. Ze worden vaak
apart genomen, wat best gek is aangezien twee kinderen ook effect hebben op elkaar. De
Family systems theory zegt dat een individu niet compleet begrepen kan worden afhankelijk
van het netwerk van relaties waarin hij zich bevindt. De interactie tussen een ouder en kind
staat ook niet op zich: het is verankerd in het gezinssysteem waarin alle individuen weer
invloed hebben op elkaar.
Er zijn een aantal dingen die de broer-zusrelatie uniek maken. Zo hebben ze zowel
wederkerige als complementaire interacties.
Wederkerig: vaak verschillen ze niet heel veel in leeftijd, waardoor dezelfde
machtsverhouding ontstaat en er sprake is van gelijkwaardigheid. Dit wordt ook wel
de horizontale verhouding genoemd. Een voorbeeld hiervan is spel en conflict: er
kan op een veilige manier ruzie gemaakt worden, omdat de band niet dermate kapot
gemaakt kan worden. Omdat je elkaar niet kunt ontlopen, moet je het weer goedmaken
→ leren hoe je ruzies moet bijleggen en compromis kan sluiten. De ruzies zijn
daardoor ook veel heftiger dan met peers.
Complementair: er is altijd één kind de oudste en die kan de jongste altijd wat
aanleren. Er is dus wel een bepaald soort machtsverschil of hiërarchie. Dit wordt ook
wel de verticale verhouding genoemd. Voorbeelden zijn het aanleren van cognitieve
en sociale vaardigheden (ook voordelig voor de oudste omdat hij iets moet uitleggen),
steunen en troosten bij negatieve gebeurtenissen binnen het gezin (kan beide kanten
omgaan), modelling (als het gaat om het aanleren, niet kopiëren)
Op een gegeven moment wordt het machtsverschil kleiner, bijvoorbeeld in de adolescentie.
In een onderzoek naar conflicten over speelgoed (→ wederkerige interacties) is er gekeken
naar 380 gezinnen waarvan het oudste kind 4 jaar oud was en het tweede kind 2 jaar oud. Er
werden thuis observaties gedaan (eenmaal met vader en eenmaal met moeder) tijdens een
interactie van 5 minuten met één aantrekkelijk stuk speelgoed wat lastig te delen is, waardoor
conflict werd uitgelokt. Eerst werd op een globale schaal gecodeerd voor het hele filmpje, en
daarna is per 30 seconden gekeken welk gedrag er aanwezig was (gedragsfrequenties): gedrag
gericht op het speelgoed van de ander, verzet, frustratie, prosociaal gedrag, bezit en ingreep
ouder. Bij frustratie wordt er ook gekeken naar de context; het moet te maken hebben met het
speelgoed dat hij niet krijgt, niet omdat het kind zich bijvoorbeeld verveelt en daardoor
dingen om ver gaat schoppen.
Resultaten:
Uit de observaties bleek dat er gemiddeld 5,5 keer een conflict optrad bij vader en 5,3
keer bij moeder in de totale observatie (dus 5 minuten). De taak werkte dus goed om
het conflict op te roepen.
In 70-73% had het oudste kind als eerste het aantrekkelijke speelgoed
Er was geen verschil in het initiëren van conflict tussen de twee genders (dit wordt in
het algemeen bij onderzoeken gevonden). Het gaat meer om broertje/zusje dan om
jongen/meisje. Voorbeeld: een meisje zegt dat ze niet met jongens speelt, waarop
Er is nog weinig onderzoek naar de interacties tussen broertjes en zusjes. Ze worden vaak
apart genomen, wat best gek is aangezien twee kinderen ook effect hebben op elkaar. De
Family systems theory zegt dat een individu niet compleet begrepen kan worden afhankelijk
van het netwerk van relaties waarin hij zich bevindt. De interactie tussen een ouder en kind
staat ook niet op zich: het is verankerd in het gezinssysteem waarin alle individuen weer
invloed hebben op elkaar.
Er zijn een aantal dingen die de broer-zusrelatie uniek maken. Zo hebben ze zowel
wederkerige als complementaire interacties.
Wederkerig: vaak verschillen ze niet heel veel in leeftijd, waardoor dezelfde
machtsverhouding ontstaat en er sprake is van gelijkwaardigheid. Dit wordt ook wel
de horizontale verhouding genoemd. Een voorbeeld hiervan is spel en conflict: er
kan op een veilige manier ruzie gemaakt worden, omdat de band niet dermate kapot
gemaakt kan worden. Omdat je elkaar niet kunt ontlopen, moet je het weer goedmaken
→ leren hoe je ruzies moet bijleggen en compromis kan sluiten. De ruzies zijn
daardoor ook veel heftiger dan met peers.
Complementair: er is altijd één kind de oudste en die kan de jongste altijd wat
aanleren. Er is dus wel een bepaald soort machtsverschil of hiërarchie. Dit wordt ook
wel de verticale verhouding genoemd. Voorbeelden zijn het aanleren van cognitieve
en sociale vaardigheden (ook voordelig voor de oudste omdat hij iets moet uitleggen),
steunen en troosten bij negatieve gebeurtenissen binnen het gezin (kan beide kanten
omgaan), modelling (als het gaat om het aanleren, niet kopiëren)
Op een gegeven moment wordt het machtsverschil kleiner, bijvoorbeeld in de adolescentie.
In een onderzoek naar conflicten over speelgoed (→ wederkerige interacties) is er gekeken
naar 380 gezinnen waarvan het oudste kind 4 jaar oud was en het tweede kind 2 jaar oud. Er
werden thuis observaties gedaan (eenmaal met vader en eenmaal met moeder) tijdens een
interactie van 5 minuten met één aantrekkelijk stuk speelgoed wat lastig te delen is, waardoor
conflict werd uitgelokt. Eerst werd op een globale schaal gecodeerd voor het hele filmpje, en
daarna is per 30 seconden gekeken welk gedrag er aanwezig was (gedragsfrequenties): gedrag
gericht op het speelgoed van de ander, verzet, frustratie, prosociaal gedrag, bezit en ingreep
ouder. Bij frustratie wordt er ook gekeken naar de context; het moet te maken hebben met het
speelgoed dat hij niet krijgt, niet omdat het kind zich bijvoorbeeld verveelt en daardoor
dingen om ver gaat schoppen.
Resultaten:
Uit de observaties bleek dat er gemiddeld 5,5 keer een conflict optrad bij vader en 5,3
keer bij moeder in de totale observatie (dus 5 minuten). De taak werkte dus goed om
het conflict op te roepen.
In 70-73% had het oudste kind als eerste het aantrekkelijke speelgoed
Er was geen verschil in het initiëren van conflict tussen de twee genders (dit wordt in
het algemeen bij onderzoeken gevonden). Het gaat meer om broertje/zusje dan om
jongen/meisje. Voorbeeld: een meisje zegt dat ze niet met jongens speelt, waarop