Kennisclip DM1
Pancreas heeft exocriene en endocriene functie
o Endocriene functie: eilandjes van Langerhans: hormonen worden aan het bloed
afgegeven. Alpha cellen glucacon; bèta cellen glucagon
o Exocriene functie: verteringssappen via Papil van Vater naar duodenum
Bij type 1 Diabetes betaceldestructie met als gevolg een absoluut gebrek aan insuline
o Normaliter: insuline alleen laag als bloedglucose laag is
o DM1: insuline laag bij juist een hoog bloedglucose; glucose kan de cellen echter niet
in energietekort in de cellen \
Gevolgen:
Glucagon, cortisol, adrenaline en groeihormoon (anti-insulinehormonen)
stijgen om gluconeogenese te stimuleren vanuit de lever (er is immers een
energietekort in de cellen)
Ook de ketonlichaamproductie neemt toe
Op moment dat cellen geen glucose kunnen verbranden, zullen ze
meer gaan steunen op vetzuuroxidatie vetzuren worden
afgebroken tot acetyl-coa acetyl-coa gaat normaal gesproken de
citroenzuurcyclus in, maar nu kan het niet goed binden met
oxaalazijnzuur ophoping acetyl-coa is signaal voor het lichaam om
hieruit ketonlichamen te produceren ketonlichamen zijn zuur, wat
kan leiden tot ketoacidose.
Hierdoor stijgt het bloedglucose verder (hyperglycaemie) en stijgt ook het
gehalte aan ketonlichamen, met mogelijk een ketoacidose tot gevolg
AGE’s: advanced glycation endproducts
o Zijn in feite verbindingen tussen eiwitten en glucose en die vinden in verhoogde
mate plaats bij een verhoogd bloedsuikergehalte verhoogde mate van
versuikering van allerlei eiwitten die in het bloed zitten, o.a. van HbA1C
o Het kan ook nog verder gaan; op moment dat ROS (reactive oxygen species = vrije
radicalen) ook hun intrede doen, dan worden die verbindingen tussen die suikers en
eiwitten in feite sterker en irreversibel.
o Dit is niet alleen mogelijk bij suiker + eiwit, maar ook bij suiker + vetten (ALE). Van
belang om te realiseren is dat zowel die AGE’s en ALE’s een belangrijke rol spelen in
de ontwikkeling van verhoogd risico op hart- en vaatziekten bij diabetici. Door AGE’s
en ALE’s ontstaan sneller atherosclerotische plaques.
, Diagnostiek
o Diagnostiek uit NGH standaard [Diabetes mellitus type 2 | NHG-Richtlijnen]:
twee nuchtere plasmaglucosewaarden ≥ 7,0 mmol/l op twee verschillende
dagen;
nuchtere plasmaglucosewaarde ≥ 7,0 mmol/l of willekeurige
plasmaglucosewaarde ≥ 11,1 mmol/l in combinatie met klachten passend bij
hyperglykemie.
o Diagnostiek door de huisarts
De huisarts stelt geen diagnose diabetes type 1. Hij concludeert dat sprake is
DM met een vermoeden op diabetes type 1. Voor het stellen van de
diagnose wordt gebruik gemaakt van de meeste recente NHG-standaard
Aanvullend onderzoek en diagnostiek vindt plaats door de internist
o Deze bepaalt glucose, HbA1c, op indicatie antistoffen tegen
Glutamine Acid Decarboxylase (GAD) of eilandjes van
Langerhans en op indicatie C-peptide. Indien op basis van de
aanvullende diagnostiek de diagnose type 1 gesteld wordt,
blijft de patiënt onder behandeling van de internist.
Volwassenen die in aanmerking komen voor aanvullend onderzoek
internist:
o Patiënten zonder sterk overgewicht tussen de 30 en 50 jaar,
die aanvankelijk worden beschouwd als diabetes type 2,
maar waar ook gedacht moet worden aan een diabetes type
1 die zich op latere leeftijd openbaart, zoals bijvoorbeeld
LADA (Latent Autoimmune Diabetes in Adults). Bij LADA is de
familieanamnese voor diabetes type 2 negatief, ontbreken er
kenmerken van het metabool syndroom en/of zijn
er aanwijzingen voor andere auto-immuunaandoeningen
(schildklier). Ook faalt de orale therapie vaak eerder dan bij
diabetes type 2
o Patiënten onder de 30 jaar met een BMI < 27 en een zich
snel ontwikkelende hyperglykemie. De gedachten gaan dan
primair uit naar een diabetes type 1.
Kinderen en adolescenten die in aanmerking komen voor
onmiddellijke behandeling dan wel aanvullende diagnostiek hebben:
o Symptomen van diabetes plus een random
plasmaglucoseconcentratie ≥ 11.1 mmol/l.
‘Symptomen zijn onder meer polyurie, polydipsie en
gewichtsverlies.
o OF:NUCHTERE plasma glucose > 7.0 mmol/l of
volbloedglucose > 6.1 mmol/l
o OF:2-uurs plasma glucose > 11.0 mmol/l bij een OGTT1
De test moet volgens de World Health Organization (WHO)
criteria zijn uitgevoerd. 1,75 gram glucose/kg met max.
van 75 gram opgelost in water
1
= orale glucose tolerantie test
Pancreas heeft exocriene en endocriene functie
o Endocriene functie: eilandjes van Langerhans: hormonen worden aan het bloed
afgegeven. Alpha cellen glucacon; bèta cellen glucagon
o Exocriene functie: verteringssappen via Papil van Vater naar duodenum
Bij type 1 Diabetes betaceldestructie met als gevolg een absoluut gebrek aan insuline
o Normaliter: insuline alleen laag als bloedglucose laag is
o DM1: insuline laag bij juist een hoog bloedglucose; glucose kan de cellen echter niet
in energietekort in de cellen \
Gevolgen:
Glucagon, cortisol, adrenaline en groeihormoon (anti-insulinehormonen)
stijgen om gluconeogenese te stimuleren vanuit de lever (er is immers een
energietekort in de cellen)
Ook de ketonlichaamproductie neemt toe
Op moment dat cellen geen glucose kunnen verbranden, zullen ze
meer gaan steunen op vetzuuroxidatie vetzuren worden
afgebroken tot acetyl-coa acetyl-coa gaat normaal gesproken de
citroenzuurcyclus in, maar nu kan het niet goed binden met
oxaalazijnzuur ophoping acetyl-coa is signaal voor het lichaam om
hieruit ketonlichamen te produceren ketonlichamen zijn zuur, wat
kan leiden tot ketoacidose.
Hierdoor stijgt het bloedglucose verder (hyperglycaemie) en stijgt ook het
gehalte aan ketonlichamen, met mogelijk een ketoacidose tot gevolg
AGE’s: advanced glycation endproducts
o Zijn in feite verbindingen tussen eiwitten en glucose en die vinden in verhoogde
mate plaats bij een verhoogd bloedsuikergehalte verhoogde mate van
versuikering van allerlei eiwitten die in het bloed zitten, o.a. van HbA1C
o Het kan ook nog verder gaan; op moment dat ROS (reactive oxygen species = vrije
radicalen) ook hun intrede doen, dan worden die verbindingen tussen die suikers en
eiwitten in feite sterker en irreversibel.
o Dit is niet alleen mogelijk bij suiker + eiwit, maar ook bij suiker + vetten (ALE). Van
belang om te realiseren is dat zowel die AGE’s en ALE’s een belangrijke rol spelen in
de ontwikkeling van verhoogd risico op hart- en vaatziekten bij diabetici. Door AGE’s
en ALE’s ontstaan sneller atherosclerotische plaques.
, Diagnostiek
o Diagnostiek uit NGH standaard [Diabetes mellitus type 2 | NHG-Richtlijnen]:
twee nuchtere plasmaglucosewaarden ≥ 7,0 mmol/l op twee verschillende
dagen;
nuchtere plasmaglucosewaarde ≥ 7,0 mmol/l of willekeurige
plasmaglucosewaarde ≥ 11,1 mmol/l in combinatie met klachten passend bij
hyperglykemie.
o Diagnostiek door de huisarts
De huisarts stelt geen diagnose diabetes type 1. Hij concludeert dat sprake is
DM met een vermoeden op diabetes type 1. Voor het stellen van de
diagnose wordt gebruik gemaakt van de meeste recente NHG-standaard
Aanvullend onderzoek en diagnostiek vindt plaats door de internist
o Deze bepaalt glucose, HbA1c, op indicatie antistoffen tegen
Glutamine Acid Decarboxylase (GAD) of eilandjes van
Langerhans en op indicatie C-peptide. Indien op basis van de
aanvullende diagnostiek de diagnose type 1 gesteld wordt,
blijft de patiënt onder behandeling van de internist.
Volwassenen die in aanmerking komen voor aanvullend onderzoek
internist:
o Patiënten zonder sterk overgewicht tussen de 30 en 50 jaar,
die aanvankelijk worden beschouwd als diabetes type 2,
maar waar ook gedacht moet worden aan een diabetes type
1 die zich op latere leeftijd openbaart, zoals bijvoorbeeld
LADA (Latent Autoimmune Diabetes in Adults). Bij LADA is de
familieanamnese voor diabetes type 2 negatief, ontbreken er
kenmerken van het metabool syndroom en/of zijn
er aanwijzingen voor andere auto-immuunaandoeningen
(schildklier). Ook faalt de orale therapie vaak eerder dan bij
diabetes type 2
o Patiënten onder de 30 jaar met een BMI < 27 en een zich
snel ontwikkelende hyperglykemie. De gedachten gaan dan
primair uit naar een diabetes type 1.
Kinderen en adolescenten die in aanmerking komen voor
onmiddellijke behandeling dan wel aanvullende diagnostiek hebben:
o Symptomen van diabetes plus een random
plasmaglucoseconcentratie ≥ 11.1 mmol/l.
‘Symptomen zijn onder meer polyurie, polydipsie en
gewichtsverlies.
o OF:NUCHTERE plasma glucose > 7.0 mmol/l of
volbloedglucose > 6.1 mmol/l
o OF:2-uurs plasma glucose > 11.0 mmol/l bij een OGTT1
De test moet volgens de World Health Organization (WHO)
criteria zijn uitgevoerd. 1,75 gram glucose/kg met max.
van 75 gram opgelost in water
1
= orale glucose tolerantie test