WERKBOEK 1 UNIVERSITEIT
Leereenheid 1: inleiding in het privaatrecht
Privaatrecht
- Subjecten: burger - burger
- Belang: voor burgers afzonderlijk
- Handhaving: initiatief handhaving voor de burgers
Materieel privaatrecht: de regels die rechten en plichten toekennen
Formeel privaatrecht: hoe je de regels kan verwezenlijken
Leereenheid 2: inleiding in het vermogensrecht
Vermogensrecht: valt onder privaatrecht. Regels over alle op geld
waardeerbare rechten en plichten
Objectief recht: geheel van regels in een samenleving
Subjectief recht: een door objectief recht verleende bevoegdheid.
Ontstaat door een rechtsfeit.
Rechtsfeit: feit met een rechtsgevolg.
- blote rechtsfeiten: rechtsgevolg zonder menselijk handelen. Je
wordt 18.
- gedragingen van rechtssubjecten:
- rechtshandeling: handeling van een rechtssubject met een
beoogd rechtsgevolg. Iets schenken.
- feitelijk handelen: handelen van een rechtssubject zonder
dat het bedoeld was. Onrechtmatige daad.
Regelend recht: kan van worden afgeweken.
Goederen: zaken en vermogensrechten
Zaken: stoffelijke objecten
Vermogensrechten: rechten die verbonden zijn aan een ander recht
en overdraagbaar zijn.
Rechtssubjecten: natuurlijk persoon, rechtspersoon.
Leereenheid 3: goederenrechtelijke rechten en persoonlijke
rechten
Goederenrechtelijke rechtsverhouding: een rechtsverhouding van
een rechtssubject tot een goed.
Het is een absoluut recht. De rechthebbende kan zijn recht
tegenover iedereen handhaven.
- Hierbij is het droit de suite, het volgrecht van toepassing, een
goederenrechtelijk recht blijft het object volgen, ongeacht onder wie
het object zich bevindt.
,- Droit de priorité: prioriteitsbeginsel. Dat houdt in dat een eerder
gevestigd goederenrechtelijk recht voor gaat op een later gevestigd
recht. Oud voor jong.
- Voor de overdracht en vestiging van goederenrechtelijke rechten
op registergoederen is publicatie vereist. Dit heet het
publiciteitsbeginsel.
Persoonlijk recht: een rechtsbetrekking tussen twee personen,
waaruit een verbintenis voortvloeit. Ook wel relatief recht genoemd,
het werkt slechts tegen een of meer bepaalde personen.
Bij persoonlijke rechten zijn alle rechten van gelijke rang: paritas
creditorum.
Als er een botsing is tussen het goederenrechtelijke en persoonlijke
recht gaat het absolute recht voor. De goederenrechtelijke
rechthebbende heeft droit de préférence.
Bij een faillissement, kunnen de schuldeisers van
goederenrechtelijke rechten buiten het faillissement blijven. Zij zijn
de separatist. Bij persoonlijke rechten is het moeilijker en komt er
een curator bij kijken. Ook hier geldt dus dat de absolute rechten
voor gaan.
Artikel 3:86 BW: eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten
zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen
een overdracht verzet.
De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan door schuldeiser
en schuldenaar worden uitgesloten.
Alle goederenrechtelijke rechten zijn in de wet vermeld, oftewel,
andere goederenrechtelijke rechten dan de in de wet genoemde
kennen we niet. Dit is het gesloten systeem van goederenrechtelijke
rechten.
Partijen zijn vrij om buiten de in de wet genoemde persoonlijke
rechten in het leven te roepen. Dit is het open systeem.
Leereenheid 4: goederen en hun onderscheidingen
Onroerend: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de
grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die
duurzaam met de grond zijn verenigd. Limitatieve opsomming.
Roerend: alle zaken die niet onroerend zijn.
Registergoederen: goederen voor welker overdracht of vestiging in
daartoe bestemde openbaar registers noodzakelijk is.
Alle onroerende zaken zijn registergoederen. Voor overdraging van
die goederen heb je een notariële akte en een inschrijving bij het
register nodig.
, Ook bij hypotheek, schepen en luchtvaartuigen.
Een bestandsdeel is geen zelfstandig rechtsobject, het vormt in
juridisch opzicht een geheel met een andere zaak (hoofdzaak).
Telkens wanneer een object zo hecht verbonden is met een ander
stoffelijk object (de hoofdzaak), dat het van elkaar losmaken een
ernstige beschadiging meebrengt, is er sprake van een
bestandsdeel.
Een stoffelijk object dat zo essentieel onderdeel uitmaakt van een
ander object (de hoofdzaak) dat deze niet normaal kan functioneren,
wordt het een bestandsdeel.
Leereenheid 5: bezit
Artikel 3:107 BW: bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Dit
is het sterkste recht dat men op een zaak kan hebben en tegen
iedereen kan laten gelden.
- Houden voor zichzelf: terecht of ten onrechte feitelijke macht
over een goed hebben.
- Houden voor een ander: feitelijke macht hebben over een
goed van een ander. Je bent dan houder, detentor. Huurder
van een huis, lener van een boek.
Of iemand aan goed houdt en of hij dit voor zichzelf of een ander
doet, wordt bepaald door deze drie elementen:
1. Verkeersopvattingen
2. Artikelen 3:109-117 BW
3. Uiterlijke feiten
De uiterlijke feiten is de wil die de houder of bezitter naar buiten
blijkt.
Artikel 3:111:
1. Een houder kan niet zelf de oorzaak van zijn houderschap
veranderen.
2. Een houder van een goed kan zich niet zelf tot bezitter van
dat goed maken.
3. Een houder kan zich niet zelf van houder voor de een tot
houder voor de ander maken.
A houdt een boot van B. A verkoopt de boot aan C, maar blijft
de houder. Dit kan dus niet.
Functies van het bezit
- Politionele functie: artikel 3:125
Een beschermende functie die aan het bezit wordt toegekend.
Handhaaft en reguleert een feitelijk ontstane situatie.
Wanneer iemand aanspraak maakt op een zaak die feitelijk in
de macht is van een ander dan is het hem in de regel niet
Leereenheid 1: inleiding in het privaatrecht
Privaatrecht
- Subjecten: burger - burger
- Belang: voor burgers afzonderlijk
- Handhaving: initiatief handhaving voor de burgers
Materieel privaatrecht: de regels die rechten en plichten toekennen
Formeel privaatrecht: hoe je de regels kan verwezenlijken
Leereenheid 2: inleiding in het vermogensrecht
Vermogensrecht: valt onder privaatrecht. Regels over alle op geld
waardeerbare rechten en plichten
Objectief recht: geheel van regels in een samenleving
Subjectief recht: een door objectief recht verleende bevoegdheid.
Ontstaat door een rechtsfeit.
Rechtsfeit: feit met een rechtsgevolg.
- blote rechtsfeiten: rechtsgevolg zonder menselijk handelen. Je
wordt 18.
- gedragingen van rechtssubjecten:
- rechtshandeling: handeling van een rechtssubject met een
beoogd rechtsgevolg. Iets schenken.
- feitelijk handelen: handelen van een rechtssubject zonder
dat het bedoeld was. Onrechtmatige daad.
Regelend recht: kan van worden afgeweken.
Goederen: zaken en vermogensrechten
Zaken: stoffelijke objecten
Vermogensrechten: rechten die verbonden zijn aan een ander recht
en overdraagbaar zijn.
Rechtssubjecten: natuurlijk persoon, rechtspersoon.
Leereenheid 3: goederenrechtelijke rechten en persoonlijke
rechten
Goederenrechtelijke rechtsverhouding: een rechtsverhouding van
een rechtssubject tot een goed.
Het is een absoluut recht. De rechthebbende kan zijn recht
tegenover iedereen handhaven.
- Hierbij is het droit de suite, het volgrecht van toepassing, een
goederenrechtelijk recht blijft het object volgen, ongeacht onder wie
het object zich bevindt.
,- Droit de priorité: prioriteitsbeginsel. Dat houdt in dat een eerder
gevestigd goederenrechtelijk recht voor gaat op een later gevestigd
recht. Oud voor jong.
- Voor de overdracht en vestiging van goederenrechtelijke rechten
op registergoederen is publicatie vereist. Dit heet het
publiciteitsbeginsel.
Persoonlijk recht: een rechtsbetrekking tussen twee personen,
waaruit een verbintenis voortvloeit. Ook wel relatief recht genoemd,
het werkt slechts tegen een of meer bepaalde personen.
Bij persoonlijke rechten zijn alle rechten van gelijke rang: paritas
creditorum.
Als er een botsing is tussen het goederenrechtelijke en persoonlijke
recht gaat het absolute recht voor. De goederenrechtelijke
rechthebbende heeft droit de préférence.
Bij een faillissement, kunnen de schuldeisers van
goederenrechtelijke rechten buiten het faillissement blijven. Zij zijn
de separatist. Bij persoonlijke rechten is het moeilijker en komt er
een curator bij kijken. Ook hier geldt dus dat de absolute rechten
voor gaan.
Artikel 3:86 BW: eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten
zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen
een overdracht verzet.
De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan door schuldeiser
en schuldenaar worden uitgesloten.
Alle goederenrechtelijke rechten zijn in de wet vermeld, oftewel,
andere goederenrechtelijke rechten dan de in de wet genoemde
kennen we niet. Dit is het gesloten systeem van goederenrechtelijke
rechten.
Partijen zijn vrij om buiten de in de wet genoemde persoonlijke
rechten in het leven te roepen. Dit is het open systeem.
Leereenheid 4: goederen en hun onderscheidingen
Onroerend: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de
grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die
duurzaam met de grond zijn verenigd. Limitatieve opsomming.
Roerend: alle zaken die niet onroerend zijn.
Registergoederen: goederen voor welker overdracht of vestiging in
daartoe bestemde openbaar registers noodzakelijk is.
Alle onroerende zaken zijn registergoederen. Voor overdraging van
die goederen heb je een notariële akte en een inschrijving bij het
register nodig.
, Ook bij hypotheek, schepen en luchtvaartuigen.
Een bestandsdeel is geen zelfstandig rechtsobject, het vormt in
juridisch opzicht een geheel met een andere zaak (hoofdzaak).
Telkens wanneer een object zo hecht verbonden is met een ander
stoffelijk object (de hoofdzaak), dat het van elkaar losmaken een
ernstige beschadiging meebrengt, is er sprake van een
bestandsdeel.
Een stoffelijk object dat zo essentieel onderdeel uitmaakt van een
ander object (de hoofdzaak) dat deze niet normaal kan functioneren,
wordt het een bestandsdeel.
Leereenheid 5: bezit
Artikel 3:107 BW: bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Dit
is het sterkste recht dat men op een zaak kan hebben en tegen
iedereen kan laten gelden.
- Houden voor zichzelf: terecht of ten onrechte feitelijke macht
over een goed hebben.
- Houden voor een ander: feitelijke macht hebben over een
goed van een ander. Je bent dan houder, detentor. Huurder
van een huis, lener van een boek.
Of iemand aan goed houdt en of hij dit voor zichzelf of een ander
doet, wordt bepaald door deze drie elementen:
1. Verkeersopvattingen
2. Artikelen 3:109-117 BW
3. Uiterlijke feiten
De uiterlijke feiten is de wil die de houder of bezitter naar buiten
blijkt.
Artikel 3:111:
1. Een houder kan niet zelf de oorzaak van zijn houderschap
veranderen.
2. Een houder van een goed kan zich niet zelf tot bezitter van
dat goed maken.
3. Een houder kan zich niet zelf van houder voor de een tot
houder voor de ander maken.
A houdt een boot van B. A verkoopt de boot aan C, maar blijft
de houder. Dit kan dus niet.
Functies van het bezit
- Politionele functie: artikel 3:125
Een beschermende functie die aan het bezit wordt toegekend.
Handhaaft en reguleert een feitelijk ontstane situatie.
Wanneer iemand aanspraak maakt op een zaak die feitelijk in
de macht is van een ander dan is het hem in de regel niet