Lichaamscellen → intensieve stofwisseling → veel energie voor
nodig → halen ze uit aerobe dissimilatie
Glucose + zuurstof → koolstofdioxide + water + energie (ATP +
warmte)
Via luchtwegen kan lucht met O2 naar het longweefsel
getransporteerd worden en wordt CO2 buiten het lichaam gebracht.
Inhoud luchtwegen = uitwendige milieu
Luchtwegen zijn bekleed met epitheel.
Luchtwegen: neusholte, mondholte, keelholte, strottenhoofd,
luchtpijp, bronchiën, bronchiolen, longblaasjes
Neusholte:
In 2en verdeeld door septum nasi (= neustussenschot)
Conchae = neusschelpen
Neusholte is bekleed met slijmvlies: eenlagig trilhaarepitheel met
veel sereuze kliertjes en slijmcellen
Sinus paranasales = neusbijholten
Verkouden word je alleen wanneer je
niet voldoende afweer hebt tegen een
verkoudheidsvirus.
Verkoudheid = ontsteking van
slijmvlies in neus, bijholten en keel.
Afweersysteem in neus werkt minder
goed als het koud is →
verkoudheidsvirus kan makkelijker de
bloedbaan binnendringen
Gehoor kan minder zijn doordat de
buis van Eustachius tijdens het slikken
dicht blijft zitten als gevolg van het
verdikte slijmvlies.
Reukvermogen verminderd door
ontsteking van reukslijmvlies.
4 functies inademen door de neus:
• Zuivering van lucht
Neushaartjes beschermen tegen stof en zand Trilharen van neusepitheel, met daarop
kleverig slijm, vangen ook veel verontreinigingen op. Door de beweging van de trilharen
wordt de slijmlaag met de weggevangen stoffen vanuit de neusholte naar de neus-
keelholte voortbewogen. Ongeveer 2/3e van het verontreinigde slijm slik je door →
maagzuur maakt eventuele ziektekiemen onschadelijk. De rest van het neusslijm wordt in
de richting van de neusholte getransporteerd → verwijderd: snuiten, niezen, opsnuiven
(en dan doorslikken) en ‘peuteren’.
• Verwarming van de lucht
Hierdoor wordt verhinderd dat het longweefsel te snel afkoelt.
• Bevochtiging van de lucht
, Gaat uitdroging van het longweefsel tegen → moet vochtig zijn om een optimale
gaswisseling mogelijk te maken (kan alleen in een vochtig milieu plaatsvinden).
Neusslijmvlies staat voortdurend vocht af aan de inademingslucht. Daarnaast wordt de
lucht door verdamping van traanvocht dat uit de ogen via de traanbuizen naar de
onderste neusgangen afgevoerd wordt bevochtigd.
• Keuring van de lucht
Door te ruiken → functie = bescherming & genieten.
Bloedneus → ontstaat doordat neusslijmvlies goed doorbloed is en heel oppervlakkig op het
neustussenschot ligt.
Mondholte:
Inademen door mondholte nadeel → lucht kan minder goed bewerkt worden.
Functie = klankvorming → gebeurt voornamelijk bij uitademing → uitgeademde lucht stroomt
langs stembanden → worden in trilling gebracht → brengen geluid voort → geluid krijgt een
bepaalde klank door de vorm van de mondholte en door de stand en de bewegingen van tong en
lippen.
Neusholten en bijholten spelen ook een rol.
Keelholte = pharynx:
Ligt achter neus- en mondholte
Behoort tot ademhalingsstelsel en spijsverteringsstelsel
Ter hoogte van de mond-keelholte vindt kruising van voedselweg en luchtweg plaats → lucht
gaat het strottenhoofd binnen en voedsel gaat naar de slokdarm. Luchtpijp staat altijd open,
behalve wanneer er een voedselbrok doorgeslikt wordt → strotklepje dekt toegang tot
strottenhoofd af → stemspleet ook gesloten
Keelpijn: kan ontstaan door een virusinfectie of een bacteriële infectie in de keel.
Strottenhoofd = larynx:
Opgebouwd uit een aantal kraakbeenstukken,
verbonden met ligamenten en omgeven door
dwarsgestreepte spieren.
Verbonden met os hyoideum (tongbeen)
Grootste kraakbeen van strottenhoofd =
cartilago thyroidea = schildkraakbeen →
bovenste hoorns en onderste hoorns
Ademsappel
Epiglottis = strotklepje
→ Tijdens slikken duwt de tongbasis de
epiglottis over de larynxopening, om te
verhinderen dat er voedsel in de luchtpijp
komt.
Uvula = huig
Slikken: neusholte afgedekt met uvula en
larynx afgesloten met epiglottis.
Cartilago cricoidea = ringkraakbeen
Cartilago arytenoidea = bekerkraakbeentje → grote bewegingsvrijheid → van invloed op stand
en spanning van stembanden en dus op stemvorming
Mond- en keelholte zijn bekleed met niet-verhoornend plaveiselepitheel.
, Strottenhoofd is bedekt met trilhaarepitheel.
Tussen bekerkraakbeentjes en het schildkraakbeen bevindt
zich links en rechts een spierplooi = ware stembanden →
vormen de m. vocalis (stemspier).
Opening tussen stembanden = stemspleet
Functies stembanden:
• Sluiten luchtweg af door de stemspleet te sluiten
• Brengen geluid voort doordat ze in trilling worden
gebracht
Bovenaan de binnenkant van de ware stembanden zitten de
valse stembanden → brengen geen geluid voort → functie =
ware stembanden vochtig houden, waardoor ze soepel
blijven
Bekerkraanbeentjes kunnen de stem van vorm veranderen →
dunner en dikker, langer en korter.
Tegelijkertijd wordt de stemspleet wijder of nauwer.
Kanteling van schildkraakbeen heeft invloed op spanning in
stembanden.
Stemspleet helemaal open → kunnen stembanden niet in
trilling worden gebracht
Stemsspleet nauwer → uitgeademde lucht kan stembanden in
trilling brengen → ontstaat een toon
Toonhoogte: afhankelijk van spanning van stembanden
Hoe groter de spanning, hoe hoger de toon.
Lengte, elasticiteit en massa van stembanden spelen ook
een rol.
Mannen → langere en dikkere stembanden → lagere stem
Volume geluid: afhankelijk van kracht waarmee uitgeademd wordt
Innervatie van strottenhoofdspieren vindt plaats door de n. laryngeus recurrens → = zenuw die
ter hoogte van de longtoppen aftakt van de linker en rechter n. vagus en vervolgens weer naar
boven loopt.