Uitwerking eindtermen filosofie CSE ‘Het goede leven en de vrije
markt’.
De eindtermen 1 t/m 3 zijn dusdanig algemeen dat ze niet in een antwoord te vatten zijn. Het
komt erop neer dat wanneer je eindterm 4 t/m 80 beheerst, je ook eindterm 1 t/m 3 beheerst.
Hoofdstuk 1: De vrije markt en de dimensies van het goede leven (1.1 t/m 1.4)
4. De mens is een wezen dat ‘zich tot zichzelf-in-de-wereld’ verhoudt. Dat houdt in dat de
mens een wezen is dat zich in bepaalde omstandigheden bevindt (andere mensen, de natuur,
dingen) Binnen deze omstandigheden, die je de totaliteit van het leven kunt noemen, kunnen
mensen, doordat ze in staat zijn tot reflectie (bespiegeling), vragen stellen naar het goede
leven. Mensen kunnen in relatie tot de omstandigheden doelen stellen, beslissingen nemen en
zichzelf evalueren. Socrates stelt dat ‘een leven dat zichzelf niet kritisch onderzoekt, niet
waard is om geleefd te worden’. Hiermee bedoelde hij dat de mens kritische vragen moest
stellen over een goed en zinvol leven. Het was een oproep tot zelfkennis. De mens is in staat
om dit soort vragen te stellen en moet dat ook doen, anders had je net zo goed als een dier ter
wereld kunnen komen. Cassirer typeert de mens als een ‘animal symbolicum’, een
symboliserend wezen. Symbool is door hem gekozen, omdat de wijze waarop mensen
uitdrukking geven aan hoe zij zich tot zichzelf-in-de-wereld verhouden verschillende vormen
aan kan nemen, bijvoorbeeld via religie, kunst, taal, wetenschappen en filosofie. Kenmerkend
voor de mens is dat dit zich tot zichzelf verhouden tot uitdrukking komt in tekens of symbolen.
Mensen kunnen hun ervaringen van blijdschap, trots, angst enz. uiten in een taal/ tekens/
symbolen. Dieren zijn hiertoe niet in staat en reageren primair instinctmatig. Nietzsche noemt
de mens een ‘niet vastgesteld dier’. Hiermee bedoelt hij dat de mens een wezen is dat niet
‘kant en klaar af is’. In tegenstelling tot het dier beschikt de mens over een ratio waarmee hij
naar de zingeving van het leven kan vragen. Deze zingeving vraagt om een invulling. In het
beste geval groeit de mens uit tot een übermensch: een vrij en creatief mens die zijn eigen
waarden schept en kan leven met de chaos die de werkelijkheid is. In die hoedanigheid laat je
alle zekerheden los. De meeste mensen kiezen echter voor bestaande gedeelde
gemeenschappelijke ‘symbolische vormen’ die ze vinden in religie, kunst en moraal. Dit
getuigt van een ‘kuddementaliteit’ en de mens wordt dan een ‘ziek dier’.
5. Nussbaum uit kritiek op de platte meting van het BNP. Het betreft hier slechts een
economische maatstaf op basis waarvan een land als ‘goed’ of als ‘slecht’ wordt beoordeeld.
Zij pleit voor een andere benadering bij de beoordeling van het ‘goede leven’ en gebruikt de
Capability Approach die ervan uitgaat dat het mens-zijn zelf een aantal potenties of
mogelijkheden veronderstelt. Een samenleving is goed georganiseerd als ze elk van deze
potenties garandeert dat ten minste een bepaald minimum voor iedere burger mogelijk is. Die
samenleving is goed, die mensen in staat stelt tot… Zij komt tot een lijst van capabilities
waarover mensen beschikken en waarvoor ze de ruimte moeten krijgen als ze menselijke bloei
of het goede leven willen kunnen realiseren. Het betreft: leven, lichamelijke gezondheid,
lichamelijke integriteit, zintuigelijke waarneming, emoties, plannen maken, relaties met
anderen kunnen en mogen hebben, andere soorten, spel en zeggenschap over de eigen
omgeving. Leer de omschrijvingen op p. 42! De Capability Approach gaat over de ruimte
die mensen krijgen om keuzes te maken, waarmee ze het goede leven denken te kunnen
bereiken. Nussbaum baseert haar filosofie op Aristoteles en Marx. De kritiek op de
Capability Approach is tweeledig. Ten eerste is de lijst gekleurd door een typisch westers
ideaal van individuele vrijheid en zelfontplooiing, in lijn met een liberale denktraditie. Ten
tweede is Nussbaums concept voor het goede leven wel noodzakelijk, maar niet voldoende.
Het goede leven kan zich pas realiseren als mensen in een samenleving leven waarin ze
,relaties met elkaar hebben en zorg betrachten naar de natuur en instituties. Pas binnen die
context kan zich een perspectief op een zinvol leven ontwikkelen. De natuur, relaties en
instituties geven ons mogelijkheden, maar ze beperken en verplichten ons ook. We kunnen
niet zonder ze, maar ze doen ook een beroep op ons.
Hoofdstuk 2 Plato en Aristoteles over het goede leven (2.3 t/m 2.7)
6. Plato stelt dat Athene ten onder is gegaan door de democratie. In de democratie heersten
onmatigheid, eigendunk, geldzucht en eigenbelang. De bestuurders waren de aretè- het besef
van een waardig, edel en deugdzaam leven- uit het oog verloren. De democratie was
omgeslagen in een ochlocratie: een schrikbewind van de massa en het gepeupel. De
ochlocratie is in zijn visie een onvermijdelijk gevolg van de democratie. Deze situatie is ver
verwijderd van de ideale staat die Plato voor ogen heeft: de aristocratie (de besten hebben de
leiding). In de ideale situatie is de staat de spiegel van de ziel. De staat is eigenlijk de mens
in het groot. Redenerend vanuit de menselijke ziel construeert Plato de staat. De ziel heeft een
vegetatief-verlangend deel (zwarte paard), een thymotisch-eergevoelig deel (witte paard) en
een denkend-beschouwend deel. Uitvergroot betekent dit dat er 3 standen zijn die
overeenkomstig hun overheersende ziel een bepaalde plaats krijgen toebedeeld in de staat:
boeren, wachters en koning-filosofen. Dit betekent dat er sprake is van een hiërarchische orde
die gebaseerd op ongelijkheid, maar waarin rechtvaardigheid heerst en ieder gelukkig is. De
koning-filosofen zijn het toonbeeld van het goede leven: zij beschikken over theoretische en
praktische wijsheid. In hen zijn alle vier de kardinale deugden verenigd: matigheid,
dapperheid, bedachtzaamheid en rechtvaardigheid. De polis moet erop gericht zijn dat
iedereen tot zijn recht kan komen. Dit alles klinkt utopisch: ieder doet waar hij of zij goed in
is en wordt daar gelukkig van. Het is een ideaal of een wensgedachte waarnaar Plato streeft.
In werkelijkheid kan een volmaakt rechtvaardige samenleving waarin iedereen gelukkig is
niet bestaan. Anderzijds is er ook sprake van een dystopie: er is namelijk geen plaats voor
individuele vrijheid. Iedereen is ondergeschikt aan het collectieve belang van de polis.
Volgens Popper zijn de resultaten van het collectiviteitsdenken in de werkelijkheid
afschuwelijk geweest. Plato’s ideeën vergeleek hij met de totalitaire systemen van de
twintigste eeuw in zijn boek The Open Society and Its Enemies. In nazi-Duitsland,
Stalinistisch communistisch Rusland gold één waarheid, met alle gruwelijke gevolgen van
dien. Voor andere opvattingen/ waarheden was namelijk geen ruimte.
7. Aristoteles meent, in tegenstelling tot zijn leermeester Plato, dat er niet één ideale
staatsvorm is. Aristoteles’ vraagstelling is anders: gegeven een bepaalde staatsvorm, hoe
kunnen mensen daarin goed en gelukkig leven? Zijn opvatting is dat er in een samenleving
deels diverse opvattingen over geluk kunnen zijn. Om erachter te komen waarin het geluk
gelegen is, definieert hij het wezen van de mens als een zooion logon echon: een dier met
rede. Het is de rede die de mens in staat stelt tot handelen, een activiteit waarvoor je moet
kunnen nadenken. Alleen wie in staat is tot handelen, kan waarlijk gelukt zijn en gelukkig
zijn. De deugd is een bepaalde toestand of houding van de ziel die de mens in staat stelt goed
te handelen. De handeling is het-in-werking-zijn of de werkelijkheid: energeia van de ziel
krachtens de deugd. De definitie van geluk is het-in-werking-zijn (energeia) van de ziel
krachtens een volkomen deugd in een leven dat tot volle wasdom is gekomen. Aangezien de
mens ook naar zijn wezen een zooion politikon, een politiek dier is kan een deugdzaam leven
alleen bereikt worden in de polis. De deugdethiek vooronderstelt een orde waarin het
deugdzame leven mogelijk wordt gemaakt door anderen. De deugd van de burger bestaat eruit
dat hij zowel in staat is om te besturen als bestuurd te worden door zijn vrijen en gelijken. De
edelmoedige burger draagt zorg voor zijn private levenssfeer, alsook voor de polis. Hij
handelt in het belang van zijn familie en het algemeen belang van de polis. Zo zijn wetten
, bijvoorbeeld niets anders dan een veralgemenisering van zijn deugdzame handelen. In de
domeinen van de private sfeer en het domein van de polis kunnen de deugden tot uitdrukking
komen. Samenleven met medemensen is een essentieel onderdeel van het goede leven. Leven
is in eerste plaats samenleven met anderen met wie men verbonden is. In de deugd is de mens
betrokken op anderen en in de volkomen deugd is de mens betrokken op anderen, en in de
volkomen deugd van de rechtvaardigheid blijken het recht en het welzijn van de medemens
deel uit te maken van zijn eigen zelfverwerkelijking. Staatsvormen kunnen ontaarden
wanneer de machthebbers alleen gericht zijn op het eigenbelang. Een monarchie (koning)
wordt dan een tirannie (tiran) en een aristocratie (elite) een oligarchie (rijken). Democratie is
een slechte zaak, omdat daarin de willekeur en mening van allen gelden, in plaats van het
verstandige inzicht van een deugdelijke elite.
8. Definitie van de deugd: Een intentionele houding (waarin we ons handelen voornemen),
die in het midden ligt voor onszelf, en wel een midden zoals dat redelijk wordt bepaald, dat
wil zeggen volgens de redelijkheid waarmee iemand met praktische wijsheid dat zou doen.
Het deugdzame leven bij Aristoteles bevindt zich tussen het individuele en collectivistische
niveau in. Aangezien de mens naar zijn wezen een politiek dier is kan een deugdzaam leven
alleen bereikt worden in een gemeenschap. Het goede leven is alleen te bereiken te midden
van familie, vrienden en medemensen. De edele burger draagt zorg voor de orde en het recht
van het bestuur. Deze orde en recht van het bestuur zijn zelf een uitdrukking van de deugd.
Het is een uitdrukking van het edele handelen en de passende sociale verhoudingen die
daarbij horen (zie ook uitleg bij ET 7). Dianoëtische deugden horen bij het denkende deel
van de ziel (vaardigheden, kennis bedachtzaamheid, wijsheid en intelligentie). Ze zijn
verbonden met het hebben van een rede. Ethische deugden (moed, gematigdheid, kalmte,
vriendelijkheid, waarachtigheid, vrijgevigheid, trots en stijlvolheid) horen bij het strevende
deel van de ziel dat kan luisteren naar de rede. Zij geven gehoor aan de rede. Voor de ethische
deugden, waarin we ons een bepaalde handeling voornemen (intentionaliteit), is de
dianoëtische deugd van de prudentie vooronderstelt. De ware deugd is in de gehele
verzameling van alle ethische deugden samen met de genoemde prudentie waarin overleg
plaatsvindt over de situatie van handelen met het oog op het goede leven in zijn geheel. De
volkomen deugd is rechtvaardigheid. Dit is niet weggelegd voor de massa. Zij kunnen niet
over deze volkomen deugd beschikken omdat ze de praktische wijsheid missen en derhalve
moeilijk het midden kunnen bepalen. Zij moeten vallen onder het gezag van mensen die daar
wel over beschikken. Dit maakt de ethiek van Aristoteles hiërarchisch en elitair. De gelukkige
mens is een vriend van zichzelf. Deze vriendschap betekent dat we niet ten prooi vallen aan
tegenstrijdige of destructieve gevoelens en verlangens. Dan zouden we onszelf ten gronde
richten. We moeten sterk en stevig genoeg zijn om aan onze voornemens vast te houden. De
volkomen deugd is een ware vriendschap met onszelf. De ziel is in harmonie met zichzelf.
9. De volkomen deugd van de rechtvaardigheid waarin de ethische deugden en de praktische
wijsheid verenigd zijn staat uitdrukkelijk in het teken van het recht en welzijn van de
medemens. De mens kan zich pas ten volle verwezenlijken binnen de kaders van de polis. De
medemens stelt hem in staat deugdzaam te leven. Rechtvaardig kun je immers alleen zijn in
een relatie met anderen. Het volgen van de wet is een vrije handeling. Vrijheid is verbonden
met de deugden. Vrije en gelijke burgers dragen zorg voor orde, recht en bestuur en dit is op
zijn beurt een uitdrukking van de deugd. Wie als een goed man leeft in een goede politieke
orde handelt niet tegen de geest van de wet in, hij herkent de wet als een uitdrukking van zijn
eigen ethos, van het soort leven dat hij en zijn vrienden leiden. Het is geen onderwerping aan
een hogere macht, maar een heerschappij van vrijen en gelijken over vrijen en gelijken.
10. Samenleven met medemensen: Leven is in de eerste plaats samenleven met anderen met
wie men verbonden is. In de deugd is de mens betrokken op anderen, en in de volkomen
deugd van de rechtvaardigheid blijken het recht en het welzijn van de medemens deel uit te
markt’.
De eindtermen 1 t/m 3 zijn dusdanig algemeen dat ze niet in een antwoord te vatten zijn. Het
komt erop neer dat wanneer je eindterm 4 t/m 80 beheerst, je ook eindterm 1 t/m 3 beheerst.
Hoofdstuk 1: De vrije markt en de dimensies van het goede leven (1.1 t/m 1.4)
4. De mens is een wezen dat ‘zich tot zichzelf-in-de-wereld’ verhoudt. Dat houdt in dat de
mens een wezen is dat zich in bepaalde omstandigheden bevindt (andere mensen, de natuur,
dingen) Binnen deze omstandigheden, die je de totaliteit van het leven kunt noemen, kunnen
mensen, doordat ze in staat zijn tot reflectie (bespiegeling), vragen stellen naar het goede
leven. Mensen kunnen in relatie tot de omstandigheden doelen stellen, beslissingen nemen en
zichzelf evalueren. Socrates stelt dat ‘een leven dat zichzelf niet kritisch onderzoekt, niet
waard is om geleefd te worden’. Hiermee bedoelde hij dat de mens kritische vragen moest
stellen over een goed en zinvol leven. Het was een oproep tot zelfkennis. De mens is in staat
om dit soort vragen te stellen en moet dat ook doen, anders had je net zo goed als een dier ter
wereld kunnen komen. Cassirer typeert de mens als een ‘animal symbolicum’, een
symboliserend wezen. Symbool is door hem gekozen, omdat de wijze waarop mensen
uitdrukking geven aan hoe zij zich tot zichzelf-in-de-wereld verhouden verschillende vormen
aan kan nemen, bijvoorbeeld via religie, kunst, taal, wetenschappen en filosofie. Kenmerkend
voor de mens is dat dit zich tot zichzelf verhouden tot uitdrukking komt in tekens of symbolen.
Mensen kunnen hun ervaringen van blijdschap, trots, angst enz. uiten in een taal/ tekens/
symbolen. Dieren zijn hiertoe niet in staat en reageren primair instinctmatig. Nietzsche noemt
de mens een ‘niet vastgesteld dier’. Hiermee bedoelt hij dat de mens een wezen is dat niet
‘kant en klaar af is’. In tegenstelling tot het dier beschikt de mens over een ratio waarmee hij
naar de zingeving van het leven kan vragen. Deze zingeving vraagt om een invulling. In het
beste geval groeit de mens uit tot een übermensch: een vrij en creatief mens die zijn eigen
waarden schept en kan leven met de chaos die de werkelijkheid is. In die hoedanigheid laat je
alle zekerheden los. De meeste mensen kiezen echter voor bestaande gedeelde
gemeenschappelijke ‘symbolische vormen’ die ze vinden in religie, kunst en moraal. Dit
getuigt van een ‘kuddementaliteit’ en de mens wordt dan een ‘ziek dier’.
5. Nussbaum uit kritiek op de platte meting van het BNP. Het betreft hier slechts een
economische maatstaf op basis waarvan een land als ‘goed’ of als ‘slecht’ wordt beoordeeld.
Zij pleit voor een andere benadering bij de beoordeling van het ‘goede leven’ en gebruikt de
Capability Approach die ervan uitgaat dat het mens-zijn zelf een aantal potenties of
mogelijkheden veronderstelt. Een samenleving is goed georganiseerd als ze elk van deze
potenties garandeert dat ten minste een bepaald minimum voor iedere burger mogelijk is. Die
samenleving is goed, die mensen in staat stelt tot… Zij komt tot een lijst van capabilities
waarover mensen beschikken en waarvoor ze de ruimte moeten krijgen als ze menselijke bloei
of het goede leven willen kunnen realiseren. Het betreft: leven, lichamelijke gezondheid,
lichamelijke integriteit, zintuigelijke waarneming, emoties, plannen maken, relaties met
anderen kunnen en mogen hebben, andere soorten, spel en zeggenschap over de eigen
omgeving. Leer de omschrijvingen op p. 42! De Capability Approach gaat over de ruimte
die mensen krijgen om keuzes te maken, waarmee ze het goede leven denken te kunnen
bereiken. Nussbaum baseert haar filosofie op Aristoteles en Marx. De kritiek op de
Capability Approach is tweeledig. Ten eerste is de lijst gekleurd door een typisch westers
ideaal van individuele vrijheid en zelfontplooiing, in lijn met een liberale denktraditie. Ten
tweede is Nussbaums concept voor het goede leven wel noodzakelijk, maar niet voldoende.
Het goede leven kan zich pas realiseren als mensen in een samenleving leven waarin ze
,relaties met elkaar hebben en zorg betrachten naar de natuur en instituties. Pas binnen die
context kan zich een perspectief op een zinvol leven ontwikkelen. De natuur, relaties en
instituties geven ons mogelijkheden, maar ze beperken en verplichten ons ook. We kunnen
niet zonder ze, maar ze doen ook een beroep op ons.
Hoofdstuk 2 Plato en Aristoteles over het goede leven (2.3 t/m 2.7)
6. Plato stelt dat Athene ten onder is gegaan door de democratie. In de democratie heersten
onmatigheid, eigendunk, geldzucht en eigenbelang. De bestuurders waren de aretè- het besef
van een waardig, edel en deugdzaam leven- uit het oog verloren. De democratie was
omgeslagen in een ochlocratie: een schrikbewind van de massa en het gepeupel. De
ochlocratie is in zijn visie een onvermijdelijk gevolg van de democratie. Deze situatie is ver
verwijderd van de ideale staat die Plato voor ogen heeft: de aristocratie (de besten hebben de
leiding). In de ideale situatie is de staat de spiegel van de ziel. De staat is eigenlijk de mens
in het groot. Redenerend vanuit de menselijke ziel construeert Plato de staat. De ziel heeft een
vegetatief-verlangend deel (zwarte paard), een thymotisch-eergevoelig deel (witte paard) en
een denkend-beschouwend deel. Uitvergroot betekent dit dat er 3 standen zijn die
overeenkomstig hun overheersende ziel een bepaalde plaats krijgen toebedeeld in de staat:
boeren, wachters en koning-filosofen. Dit betekent dat er sprake is van een hiërarchische orde
die gebaseerd op ongelijkheid, maar waarin rechtvaardigheid heerst en ieder gelukkig is. De
koning-filosofen zijn het toonbeeld van het goede leven: zij beschikken over theoretische en
praktische wijsheid. In hen zijn alle vier de kardinale deugden verenigd: matigheid,
dapperheid, bedachtzaamheid en rechtvaardigheid. De polis moet erop gericht zijn dat
iedereen tot zijn recht kan komen. Dit alles klinkt utopisch: ieder doet waar hij of zij goed in
is en wordt daar gelukkig van. Het is een ideaal of een wensgedachte waarnaar Plato streeft.
In werkelijkheid kan een volmaakt rechtvaardige samenleving waarin iedereen gelukkig is
niet bestaan. Anderzijds is er ook sprake van een dystopie: er is namelijk geen plaats voor
individuele vrijheid. Iedereen is ondergeschikt aan het collectieve belang van de polis.
Volgens Popper zijn de resultaten van het collectiviteitsdenken in de werkelijkheid
afschuwelijk geweest. Plato’s ideeën vergeleek hij met de totalitaire systemen van de
twintigste eeuw in zijn boek The Open Society and Its Enemies. In nazi-Duitsland,
Stalinistisch communistisch Rusland gold één waarheid, met alle gruwelijke gevolgen van
dien. Voor andere opvattingen/ waarheden was namelijk geen ruimte.
7. Aristoteles meent, in tegenstelling tot zijn leermeester Plato, dat er niet één ideale
staatsvorm is. Aristoteles’ vraagstelling is anders: gegeven een bepaalde staatsvorm, hoe
kunnen mensen daarin goed en gelukkig leven? Zijn opvatting is dat er in een samenleving
deels diverse opvattingen over geluk kunnen zijn. Om erachter te komen waarin het geluk
gelegen is, definieert hij het wezen van de mens als een zooion logon echon: een dier met
rede. Het is de rede die de mens in staat stelt tot handelen, een activiteit waarvoor je moet
kunnen nadenken. Alleen wie in staat is tot handelen, kan waarlijk gelukt zijn en gelukkig
zijn. De deugd is een bepaalde toestand of houding van de ziel die de mens in staat stelt goed
te handelen. De handeling is het-in-werking-zijn of de werkelijkheid: energeia van de ziel
krachtens de deugd. De definitie van geluk is het-in-werking-zijn (energeia) van de ziel
krachtens een volkomen deugd in een leven dat tot volle wasdom is gekomen. Aangezien de
mens ook naar zijn wezen een zooion politikon, een politiek dier is kan een deugdzaam leven
alleen bereikt worden in de polis. De deugdethiek vooronderstelt een orde waarin het
deugdzame leven mogelijk wordt gemaakt door anderen. De deugd van de burger bestaat eruit
dat hij zowel in staat is om te besturen als bestuurd te worden door zijn vrijen en gelijken. De
edelmoedige burger draagt zorg voor zijn private levenssfeer, alsook voor de polis. Hij
handelt in het belang van zijn familie en het algemeen belang van de polis. Zo zijn wetten
, bijvoorbeeld niets anders dan een veralgemenisering van zijn deugdzame handelen. In de
domeinen van de private sfeer en het domein van de polis kunnen de deugden tot uitdrukking
komen. Samenleven met medemensen is een essentieel onderdeel van het goede leven. Leven
is in eerste plaats samenleven met anderen met wie men verbonden is. In de deugd is de mens
betrokken op anderen en in de volkomen deugd is de mens betrokken op anderen, en in de
volkomen deugd van de rechtvaardigheid blijken het recht en het welzijn van de medemens
deel uit te maken van zijn eigen zelfverwerkelijking. Staatsvormen kunnen ontaarden
wanneer de machthebbers alleen gericht zijn op het eigenbelang. Een monarchie (koning)
wordt dan een tirannie (tiran) en een aristocratie (elite) een oligarchie (rijken). Democratie is
een slechte zaak, omdat daarin de willekeur en mening van allen gelden, in plaats van het
verstandige inzicht van een deugdelijke elite.
8. Definitie van de deugd: Een intentionele houding (waarin we ons handelen voornemen),
die in het midden ligt voor onszelf, en wel een midden zoals dat redelijk wordt bepaald, dat
wil zeggen volgens de redelijkheid waarmee iemand met praktische wijsheid dat zou doen.
Het deugdzame leven bij Aristoteles bevindt zich tussen het individuele en collectivistische
niveau in. Aangezien de mens naar zijn wezen een politiek dier is kan een deugdzaam leven
alleen bereikt worden in een gemeenschap. Het goede leven is alleen te bereiken te midden
van familie, vrienden en medemensen. De edele burger draagt zorg voor de orde en het recht
van het bestuur. Deze orde en recht van het bestuur zijn zelf een uitdrukking van de deugd.
Het is een uitdrukking van het edele handelen en de passende sociale verhoudingen die
daarbij horen (zie ook uitleg bij ET 7). Dianoëtische deugden horen bij het denkende deel
van de ziel (vaardigheden, kennis bedachtzaamheid, wijsheid en intelligentie). Ze zijn
verbonden met het hebben van een rede. Ethische deugden (moed, gematigdheid, kalmte,
vriendelijkheid, waarachtigheid, vrijgevigheid, trots en stijlvolheid) horen bij het strevende
deel van de ziel dat kan luisteren naar de rede. Zij geven gehoor aan de rede. Voor de ethische
deugden, waarin we ons een bepaalde handeling voornemen (intentionaliteit), is de
dianoëtische deugd van de prudentie vooronderstelt. De ware deugd is in de gehele
verzameling van alle ethische deugden samen met de genoemde prudentie waarin overleg
plaatsvindt over de situatie van handelen met het oog op het goede leven in zijn geheel. De
volkomen deugd is rechtvaardigheid. Dit is niet weggelegd voor de massa. Zij kunnen niet
over deze volkomen deugd beschikken omdat ze de praktische wijsheid missen en derhalve
moeilijk het midden kunnen bepalen. Zij moeten vallen onder het gezag van mensen die daar
wel over beschikken. Dit maakt de ethiek van Aristoteles hiërarchisch en elitair. De gelukkige
mens is een vriend van zichzelf. Deze vriendschap betekent dat we niet ten prooi vallen aan
tegenstrijdige of destructieve gevoelens en verlangens. Dan zouden we onszelf ten gronde
richten. We moeten sterk en stevig genoeg zijn om aan onze voornemens vast te houden. De
volkomen deugd is een ware vriendschap met onszelf. De ziel is in harmonie met zichzelf.
9. De volkomen deugd van de rechtvaardigheid waarin de ethische deugden en de praktische
wijsheid verenigd zijn staat uitdrukkelijk in het teken van het recht en welzijn van de
medemens. De mens kan zich pas ten volle verwezenlijken binnen de kaders van de polis. De
medemens stelt hem in staat deugdzaam te leven. Rechtvaardig kun je immers alleen zijn in
een relatie met anderen. Het volgen van de wet is een vrije handeling. Vrijheid is verbonden
met de deugden. Vrije en gelijke burgers dragen zorg voor orde, recht en bestuur en dit is op
zijn beurt een uitdrukking van de deugd. Wie als een goed man leeft in een goede politieke
orde handelt niet tegen de geest van de wet in, hij herkent de wet als een uitdrukking van zijn
eigen ethos, van het soort leven dat hij en zijn vrienden leiden. Het is geen onderwerping aan
een hogere macht, maar een heerschappij van vrijen en gelijken over vrijen en gelijken.
10. Samenleven met medemensen: Leven is in de eerste plaats samenleven met anderen met
wie men verbonden is. In de deugd is de mens betrokken op anderen, en in de volkomen
deugd van de rechtvaardigheid blijken het recht en het welzijn van de medemens deel uit te