2.
Burgerlijk recht bestaat uit:
- Personen- en familierecht: heeft betrekking op materiële rechten en plichten (op geld
waardeerbare belangen)
- Vermogensrecht: eigendomsrecht, het op geld waardeerbaar (waarde van het huis)
2.1
Personen- en familierecht:
- Regels voor natuurlijke personen m.b.t. huwelijk, scheiding, gezag over kinderen.
Echtscheiding: duurzame ontwrichting art. 1:151 BW
Ouderlijke gezag: art 1:251 e.v. BW
Adoptie: art 1:227 e.v. BW
Kinderbeschermingsmaatregelen: art 1:254 e.v. BW
Beëindiging ouderlijke gezag: art 1:266 e.v. BW
2.2
Vermogensrecht:
- Goederenrecht
- Vermogensrecht inclusief erfrecht (boek 4)
Vermogensrecht:
- Is het deel van het objectieve recht dat betrekking heeft op de op geld waardeerbare
subjectieve rechten en plichten die het vermogen van een persoon kunnen zijn.
Vermogen:
- Het geheel op geld waardeerbare subjectieve rechten en verplichtingen. Dit vermogen omvat
goederen art 3:1 BW (vermogensbestanddelen)
- Vermogensbestanddelen omvatten; vermogensrechten als zaken.
Zaken:
- Zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten art 3:2 BW
Zaken kun je onderverdelen in:
- Roerende: zaken die niet onroerend zij art 3:3 BW fietsen, horloges gedolven delfstoffen en
snijbloemen.
- Onroerende goederen; de grond, delfstoffen in de grond en met de grond verenigbare
beplantingen en gebouwen.
Dieren?
- Art 3.2a BW bepaalt dat dieren geen zaken zijn, maar de bepalingen m.b.t. zaken op dieren
van toepassing zijn.
Registergoederen:
- Zijn goederen waarvoor overdracht of vesting van een bepaald recht op deze goederen
noodzakelijk is dat het ingeschreven is in de daarvoor bestemde openbare registers. Bv
hypotheekregister.