HOOFDSTUK 1 BOUW EN FUNCTIE VAN CELLEN
ANATOMIE
(5) De kennis van de bouw van het menselijk lichaam noemen we anatomie. Hierbij wordt
gekeken naar de bouw van het lichaam, dus alle onderdelen waaruit ons lichaam is
opgebouwd. De cellen zijn de kleinste bouwstenen van het lichaam. De transportsystemen
dienen om voedingstoffen door het lichaam te verplaatsen en afvalstoffen af te voeren. Het
orgaanstelsel of de organen zijn de functie-elementen die het leven op gang houden. Het
zenuwstelsel zorgt voor de communicatie tussen de organen. Alle onderdelen van de
anatomie vormen een samenhangend stelsel waarbinnen alles een eigen functie heeft.
FYSIOLOGIE
De wetenschap die het functioneren van levende organismen bestudeert en probeert door te
dringen tot wat leven is, heet fysiologie. Fysiologie is dus de leer van de werking van de
verschillende organen in onderlinge samenhang. Voor die samenhang zorgen vooral de
transportsystemen in ons lichaam. Fysiologie kan men in twee groepen levensverrichtingen
onderscheiden: Vegetatieve (plantaardige) verrichtingen en de animale (dierlijke)
verrichtingen.
LEERDOELEN MET BETREKKING TOT CELLEN
> Kennis en begrip van de structuur en functies van de cellen die essentieel is voor het begrip
van de functie van alle lichaamsorganen.
> Bouw en functie van cellen en celdeling kunnen omschrijven.
CELLEN
De cel (cyt) is de kleinste bouwsteen van het menselijk lichaam. De cytologie bestudeert de
bouw en functie van de cellen. Bouw en functie van een cel zijn onverbrekelijk met elkaar
verbonden. Vaak wordt uit de bouw de functie al duidelijk. Met de functie bedoelen we
zelfstandig werkend. De cel wordt de basisbouwsteen en de fundamentele
stofwisselingseenheid van het organisme (de mens) genoemd. De mens behoort tot het
dierenrijk en bestaat uit miljarden cellen. Een cel die zelfstandig kan functioneren vertoont,
net als de mens zelf, de kenmerken van het leven. De cel houdt zich in leven door de
stofwisseling. Een cel leeft dus en heeft een aantal kenmerkende eigenschappen zoals:
de stofwisseling: dat is het opnemen, verwerken en uitscheiden van stoffen
het verrichten van arbeid, een proces dat energie kost
het vermogen om op prikkels uit de omgeving te reageren
voortplanting
Groei
DE BOUW VAN CELLEN
De bouw van een cel is afhankelijk van de taak die deze moet vervullen. Zo heeft een spiercel
een andere bouw dan een kliercel of zenuwcel. Ook bloedcellen hebben een heel andere bouw
en functie. Levende organismen bestaan uit één of meer cellen die ervoor zorgen dat de soort
en het individu in stand wordt gehouden.
, (6)Voorbeelden van onder andere micro-organismen zoals bacteriën. De cel vertoont alle
levensverrichtingen zoals beweging, opname van stoffen, afgifte van stoffen, is gevoelig voor
prikkels, kent ademhaling en groei. Ondanks verschillen bestaan er ook veel overeenkomsten
in de bouw. Elke cel bestaat uit een wand, het celmembraan, waarbinnen zich de
celvloeistof, het protoplasma cytoplasma of celplasma en de celkern bevinden. Het
protoplasma is alle levende inhoud in een cel. Deze bevat het cytoplasma met daarin de
celkern. De cellen in ons lichaam hebben alle dezelfde erfelijke informatie in hun celkern.
Celmembraan is de officiële naam voor celwand. Dit celmembraan vormt de begrenzing
van de cel. Het is de grens tussen de ruimte buiten de cel (milieu exterieur) en de inhoud van
de cel (milieu interieur). Het celmembraan is een dun vlies met kleine gaatjes (poriën) dat
onder andere voedingsstoffen, afvalstoffen en water kan doorlaten. De celmembraan is dus
semi-permeabel, dit betekent selectief doorlaatbaar. Dit is mogelijk in twee richtingen;
vanuit de cel naar buiten toe en van buiten de cel naar binnen. Het laat alleen water en kleine
deeltjes bouwstoffen (aminozuren) en brandstoffen (koolhydraten en vetten) passeren en
houdt grotere stoffen tegen. Het celmembraan schermt de celinhoud van de buitenwereld af
en zorgt ervoor dat er geen stoffen uitlekken of verkeerde stoffen binnendringen.
Celplasma/protoplasma of cytoplasma bestaat voor ¾ % deel uit water en voor de rest
uit een aantal stoffen in opgeloste toestand zoals eiwitten, enzymen, suikers, vetten en
zouten. Enzymen versnellen de stofwisseling. Het cytoplasma bevat ook een groot aantal
structuren, elk daarvan is gespecialiseerd om een bepaalde taak uit te voeren. Deze worden
organellen genoemd.
Celkern
De celkern is een onmisbaar onderdeel van de cel. Zonder de celkern kan de cel niet lang
leven. De celkern bestuurt de stofwisseling in de cel en bevat de informatie voor de erfelijke
eigenschappen. De celkern is evenals de cel omgeven door een wand; de kernwand. De
celkern heet ook wel nucleus en de kernwand heet ook wel kernmembraan. Dit
membraan is dubbelwandig. De ruimte tussen de beide wanden is niet meer dan een smal
spleetje dat in verbinding staat met het netwerk van buisjes en zakjes, een soort
kanaaltjessysteem, in de celvloeistof.
ANATOMIE
(5) De kennis van de bouw van het menselijk lichaam noemen we anatomie. Hierbij wordt
gekeken naar de bouw van het lichaam, dus alle onderdelen waaruit ons lichaam is
opgebouwd. De cellen zijn de kleinste bouwstenen van het lichaam. De transportsystemen
dienen om voedingstoffen door het lichaam te verplaatsen en afvalstoffen af te voeren. Het
orgaanstelsel of de organen zijn de functie-elementen die het leven op gang houden. Het
zenuwstelsel zorgt voor de communicatie tussen de organen. Alle onderdelen van de
anatomie vormen een samenhangend stelsel waarbinnen alles een eigen functie heeft.
FYSIOLOGIE
De wetenschap die het functioneren van levende organismen bestudeert en probeert door te
dringen tot wat leven is, heet fysiologie. Fysiologie is dus de leer van de werking van de
verschillende organen in onderlinge samenhang. Voor die samenhang zorgen vooral de
transportsystemen in ons lichaam. Fysiologie kan men in twee groepen levensverrichtingen
onderscheiden: Vegetatieve (plantaardige) verrichtingen en de animale (dierlijke)
verrichtingen.
LEERDOELEN MET BETREKKING TOT CELLEN
> Kennis en begrip van de structuur en functies van de cellen die essentieel is voor het begrip
van de functie van alle lichaamsorganen.
> Bouw en functie van cellen en celdeling kunnen omschrijven.
CELLEN
De cel (cyt) is de kleinste bouwsteen van het menselijk lichaam. De cytologie bestudeert de
bouw en functie van de cellen. Bouw en functie van een cel zijn onverbrekelijk met elkaar
verbonden. Vaak wordt uit de bouw de functie al duidelijk. Met de functie bedoelen we
zelfstandig werkend. De cel wordt de basisbouwsteen en de fundamentele
stofwisselingseenheid van het organisme (de mens) genoemd. De mens behoort tot het
dierenrijk en bestaat uit miljarden cellen. Een cel die zelfstandig kan functioneren vertoont,
net als de mens zelf, de kenmerken van het leven. De cel houdt zich in leven door de
stofwisseling. Een cel leeft dus en heeft een aantal kenmerkende eigenschappen zoals:
de stofwisseling: dat is het opnemen, verwerken en uitscheiden van stoffen
het verrichten van arbeid, een proces dat energie kost
het vermogen om op prikkels uit de omgeving te reageren
voortplanting
Groei
DE BOUW VAN CELLEN
De bouw van een cel is afhankelijk van de taak die deze moet vervullen. Zo heeft een spiercel
een andere bouw dan een kliercel of zenuwcel. Ook bloedcellen hebben een heel andere bouw
en functie. Levende organismen bestaan uit één of meer cellen die ervoor zorgen dat de soort
en het individu in stand wordt gehouden.
, (6)Voorbeelden van onder andere micro-organismen zoals bacteriën. De cel vertoont alle
levensverrichtingen zoals beweging, opname van stoffen, afgifte van stoffen, is gevoelig voor
prikkels, kent ademhaling en groei. Ondanks verschillen bestaan er ook veel overeenkomsten
in de bouw. Elke cel bestaat uit een wand, het celmembraan, waarbinnen zich de
celvloeistof, het protoplasma cytoplasma of celplasma en de celkern bevinden. Het
protoplasma is alle levende inhoud in een cel. Deze bevat het cytoplasma met daarin de
celkern. De cellen in ons lichaam hebben alle dezelfde erfelijke informatie in hun celkern.
Celmembraan is de officiële naam voor celwand. Dit celmembraan vormt de begrenzing
van de cel. Het is de grens tussen de ruimte buiten de cel (milieu exterieur) en de inhoud van
de cel (milieu interieur). Het celmembraan is een dun vlies met kleine gaatjes (poriën) dat
onder andere voedingsstoffen, afvalstoffen en water kan doorlaten. De celmembraan is dus
semi-permeabel, dit betekent selectief doorlaatbaar. Dit is mogelijk in twee richtingen;
vanuit de cel naar buiten toe en van buiten de cel naar binnen. Het laat alleen water en kleine
deeltjes bouwstoffen (aminozuren) en brandstoffen (koolhydraten en vetten) passeren en
houdt grotere stoffen tegen. Het celmembraan schermt de celinhoud van de buitenwereld af
en zorgt ervoor dat er geen stoffen uitlekken of verkeerde stoffen binnendringen.
Celplasma/protoplasma of cytoplasma bestaat voor ¾ % deel uit water en voor de rest
uit een aantal stoffen in opgeloste toestand zoals eiwitten, enzymen, suikers, vetten en
zouten. Enzymen versnellen de stofwisseling. Het cytoplasma bevat ook een groot aantal
structuren, elk daarvan is gespecialiseerd om een bepaalde taak uit te voeren. Deze worden
organellen genoemd.
Celkern
De celkern is een onmisbaar onderdeel van de cel. Zonder de celkern kan de cel niet lang
leven. De celkern bestuurt de stofwisseling in de cel en bevat de informatie voor de erfelijke
eigenschappen. De celkern is evenals de cel omgeven door een wand; de kernwand. De
celkern heet ook wel nucleus en de kernwand heet ook wel kernmembraan. Dit
membraan is dubbelwandig. De ruimte tussen de beide wanden is niet meer dan een smal
spleetje dat in verbinding staat met het netwerk van buisjes en zakjes, een soort
kanaaltjessysteem, in de celvloeistof.