TAAK 5 zie aantekeningen onderaan
Casus a
Zolang ING nog geen vordering op E heeft, kan er ook geen hypotheekrecht
bestaan. Als je hier strak aan vast zou houden zou een rekening courant-krediet
niet mogelijk zijn. Hier heeft dus een afwijking van de
accessoiriteit/afhankelijkheid plaatsgevonden (art. 2:31 BW).
Casus b
De keuze om het bestaan van het pandrecht wel of niet mede te delen aan de
debiteuren, levert een verschil op voor wat betreft de inningsbevoegdheid.
Inningsbevoegdheid betekent dat je in en buiten rechte nakoming kan vorderen
en betalingen in ontvangst kan nemen. Artikel 3:246 stelt dat wanneer het
pandrecht is medegedeeld de pandhouder inningsbevoegd is en dat wanneer het
pandrecht niet is medegedeeld aan de crediteuren de pandgever inningsbevoegd
is. In dit laatste geval betaalt de schuldenaar dus bevrijdend aan de stille
pandgever/zijn schuldeiser. Zie aantekeningen.
De pandhouder van een stil pandrecht kan zich volgens lid 1 wel alsnog
inningsbevoegd maken door over te gaan tot mededeling van het pandrecht aan
de schuldenaar. Voorwaarde hiervoor is dat de vordering nog niet tenietgegaan is
doordat de schuldenaar bevrijdend aan de stille pandgever/zijn schuldeiser heeft
betaald.
TAAK 6 zie aantekeningen onderaan
Casus a
Investbank gaat over tot executie van hypotheekrecht (artikel 3:236). Het
hypotheekrecht van BCC Bank is echter ouder dan het hypotheekrecht van
Investbank, zie moment van inschrijving in artikel 3:231. Zij zullen zich dus
eerder kunnen verhalen op de opbrengst dan Investbank. Bij geen faillissement
zal een overschot naar de eigenaar/geëxecuteerde gaan. Bij faillissement zal een
overschot naar de curator gaan voor voldoening van andere schuldeisers.
Als er schade geleden wordt door BCC, dan zal BCC bank deze schade vergoed
moeten krijgen. BCC kan wel gaan roepen ‘wanprestatie, schadevergoeding’,
maar hij kan geen schade bewijzen. Er bestaat geen concurrentiepositie. Men kan
niks hard maken, dus dan kun je ook geen schadevergoeding gaan vragen. Dus in
de praktijk vind je dit soort bedingen tot vervreemdingsverbod niet vaak. BCC
kan hier niet bewijzen dat door toedoen van Tout d’Suite schade is geleden.
Bijvoorbeeld een tweede pandhouder kan ook geen schade leiden doordat er een
derde pandhouder is, want zogauw executie plaatsvindt zal eerst naar de eerste
dan naar de tweede en dan pas naar de derde pandhouder gekeken worden voor
voldoening.
Hier heb je een notaris nodig, want de gerechtigde heeft geen recht van parate
executie ex art. 3:268 BW (bij pand in art. 3:248 BW). Hoofdregel is openbare
verkoop. Alternatief is onderhandse verkoop. Zie aantekeningen.
In artikel 3:270 BW staat een verdeelregeling:
- De normale procedure is dat het bedrag bij de bewaarder wordt gestort en dat
deze een rangorde maakt. Maar als de eerste hypotheekhouder heeft
geëxecuteerd, dan moet hij een verklaring overleggen wat aan hem toekomt