Hoofdstuk 1
Getallen, behoeften en schaarste
Indexcijfers → een reeks cijfers uitgedrukt als percentage van het
basisgetal. Hierbij laat je het %-teken weg.
Indexcijfer = (getal ÷ basisgetal) x 100
Nominaal getal → Cijfer in euro's, kilo's of een andere telbare eenheid
Reëel getal → Nominaal cijfer aangepast aan de prijsverandering; de
koopkracht
Reëel indexcijfer = (nominale index ÷ prijsindex) x 100%
Inflatie → stijging van het gemiddelde prijspeil
Goederen → tastbare producten
Diensten → niet-tastbare producten
Alternatief-aanwendbare goederen kunnen voor meerdere doelen worden
gebruikt.
Ieder mens heeft een onbeperkte behoefte aan goederen en diensten,
bijvoorbeeld:
- Primaire behoeften (nodig om te overleven, zoals eten en medicijnen)
- Secundaire behoeften (dingen die je wil, zoals kleding en apparaten)
- Duurzame en niet-duurzame behoeften (hoe lang gaat het mee?)
Er is maar een beperkte hoeveelheid middelen en producten om deze behoeften
te voorzien.
Schaarste → spanning tussen onbegrensde behoeften en een beperkte
hoeveelheid productiemiddelen.
Er is sprake van schaarste als er in vergelijking tot de behoeften niet genoeg
middelen zijn. Er zijn dus veel dingen die je wil, maar niet genoeg materiaal om
het allemaal te maken. Bij schaarste zal je dus moeten kiezen welke behoeften
het meest dringend zijn.
Schaars goed → moet geproduceerd worden met productiemiddelen en moet je
dus iets voor opgeven
Vrij goed → zonder productie beschikbaar (zonlicht, lucht etc.), Voor vrij goed
hoef je dus niks op te geven.
Wat houdt de economie aan de gang?
Mensen hebben behoefte aan schaarse goederen/diensten
↓
Voor productie gebruiken bedrijven/overheid productiefactoren (KANO)
↓
Bezitters van productiefactoren worden beloond met:
↓
Rente, salaris, pacht, winst
↓
Verdiende inkomens worden gebruikt voor aankopen