Loondienst loon of salaris
Eigen baas of zelfstandige winst
Arbeidsinkomen: loon en winst
Kapitaalinkomen: winst uit aandelen, rente (uitlenen van spaargeld), pacht (verhuur van grond), huur
(verhuur gebouwen)
Vraag naar arbeid: uitgeoefend door werkgevers
Aanbod van arbeid: iedereen die zich aanbied (beroepsbevolking)
Inkomensheffing: bedrag dat betaalt moet worden aan de belastingdienst aan het einde van het jaar
bruto ink. uit arbeid
+ bijtellingen
- aftrekposten
--------------------------
belastbaar ink. Belastingschijven Heffingsbedrag
- heffingskorting(en)
------------------------------
= inkomensheffing
Gemiddelde heffingstarief of gemiddelde heffingsdruk = inkomensheffing / bruto looninkomen x
100%
Progressief belastingstelsel: het gemiddeld heffingstarief stijgt bij een stijgend inkomen (nivelleren)
Degressief belastingstelsel: het gemiddeld heffingstarief daalt bij een stijgend inkomen (denivelleren)
Proportioneel belastingstelsel: het gemiddeld heffingstarief is bij elk inkomen hetzelfde
Marginaal heffingstarief of marginale heffingsdruk: hoeveel procent inkomensheffing je moet betalen
over het extra verdiende inkomen over 1 euro extra
? Vlaktaks belastingstelsel: 1 marginaal belastingtarief
Primaire inkomens: de beloningen voor het ter beschikking stellen van de productiefactoren arbeid
en kapitaal.
Sociale uitkering: geld dat door de overheid wordt overgedragen van de belasting- en premiebetaler
naar de uitkeringsgerechtigde (overdrachtsinkomens)
Secundair inkomen: het inkomen dat uiteindelijk overgehouden wordt nadat de overheid
inkomstenbelasting en sociale premies heeft geheven en inkomensoverdrachten heeft betaald.
Lorenzcurve hoe boller de lijn, hoe groter de ongelijkheid
Gini-coëfficiënt: maatstaf voor inkomensongelijkheid min = 0 max = 1