Hoofdstuk 5: Beginnende geletterdheid
Geletterdheid heeft betrekking op de volgende aspecten:
- Boekoriëntatie
- Verhaalbegrip
- Functies van geschreven taal
- Relatie tussen gesproken en geschreven taal
- Taalbewustzijn
- Alfabetisch principe
- Functioneel ‘lezen’ en ‘schrijven’
- Technisch lezen en schrijven, start
- Technisch lezen en schrijven, vervolg
- Begrijpend lezen en schrijven
Geletterdheid kent 3 fasen:
- Ontluikende geletterdheid voorschoolse periode 0-4 jaar contact met
ouders/verzorgers en voorlezen is van belang
- Beginnende geletterdheid groep 1 t/m 3
- Gevorderde geletterdheid na groep 3
Tussendoelen beginnende geletterdheid
Metalinguïstisch bewustzijn het vermogen om na te denken over de vorm en het gebruik
van taal en om onbewuste kennis over de regels in de taal te verwoorden
In Bus (1991) worden de volgende fasen in de spontane schrijfontwikkeling onderscheiden:
1. Het tekenen van woorden
2. Het krabbelen van nog niet herkenbare lettertekens
3. Het schrijven van letterachtige vormen of letters
4. Het weergeven van woorden door één of enkele letters
5. Invented spelling
Leesontwikkeling
1e stap is dat kinderen leesgedrag imiteren pseudolezen
Als kleuters veel worden voorgelezen door de ouders gaan ze op een gegeven moment het
boek zelf voorlezen aan de hand van de plaatjes. Dit geldt ook voor de juiste intonatie,
kinderen kunnen dat precies nadoen van de ouders.
De volgende gedragingen onderscheiden we in pseudolezen:
1. Commentaar geven op plaatjes
2. Het volgen van het verhaal op de plaatjes
3. Een verhaal weergeven in dialoogvorm
4. Een verhaal weergeven in monoloogvorm
5. Een verhaal weergeven in een mengeling van spreektaal en schrijftaal
, 6. Het memoriseren van teksten
AD1 commentaar geven op plaatjes
In het begin is het vooral het benoemen wat er op de plaatjes staat. Kinderen reageren op
de plaatjes zonder dat er samenhang is met het verhaal
AD2 het volgen van het verhaal op de plaatjes
In een later stadium is een kind ook in staat om met behulp van de plaatjes het verhaallijn
te volgen. Geen verhaal weergeven, maar wel zinnen vertellen die in het verhaal passen.
AD3 een verhaal weergeven in dialoogvorm
Als kinderen wel in staat zijn om een verhaallijn te weergeven, dan in dialoogvorm eerst.
Daarbij geven ze ook stemmetjes aan om te laten weten wie er spreekt. Het verhaal is nog
niet erg samenhangend.
AD4 een verhaal weergeven in monoloogvorm
Later zijn ze in staat in monoloogvorm het complete verhaal te vertellen. Ze gebruiken de
intonatie.
AD5 een verhaal weergeven in een mengeling van spreektaal en schrijftaal
Nog later zien we dat ze zich bewust worden dat de manier waarop je voorleest, afwijkt
van de gewone spreektaal.
AD6 het memoriseren van teksten
Op den duur zijn ze steeds meer gericht op de taal van een boek letterlijk te
reproduceren. Ze hebben ontdekt dat de tekst van een verhaal in letters vastligt.
De 2e stap is dat kinderen geleidelijk ontdekken aan de functie van het geschreven woord
spontaan lezen
Het is geen imitatie meer (pseudolezen), maar kinderen gaan echt op zoek naar bekende
woorden of letters in de tekst. Ze proberen echt de tekst te decoderen. Ook hier is een
bepaalde ontwikkeling aan te wijzen (Vergelijk Verhoeven, 1994). Er zijn 3 fasen:
1. Globaal lezen van bekende woorden
2. Lezen door analyse van bekende woorden
3. Zelfstandig lezen van nieuwe woorden
AD1 globaal lezen van bekende woorden
In het begin lezen kinderen door gebruik te maken van visuele woordvorm, ze herkennen
woorden op grond van een aantal kenmerkende visuele eigenschappen. Bijvoorbeeld iets
persoonlijks als hun eigen naam of woorden die ze vaak tegenkomen lezen kinderen
globaal.