Hoorcollege 1
Padanalyses en factoranalyses beantwoorden interessante
psychologische vraagstellingen, maar zijn soms ook een bron van fouten in
gepubliceerde artikelen. Daarom hebben wij twee leerdoelen:
- Het uitvoeren van simpele padanalyses en factoranalyses.
- Het lezen en kritisch beoordelen van gepubliceerde artikelen.
Het padmodel:
Kunnen de correlaties tussen een groep variabelen verklaard worden door
een causaal model? Theorieën worden gevangen in formele vorm, en
daarna wordt onderzocht of de theorie overeenkomt met de
geobserveerde waarden.
Het factormodel:
Kunnen de correlaties tussen een groep variabelen verklaard worden door
één onderliggend construct?
In bovenstaande modellen betekent een vierkantje dat wat erin staat
geobserveerd is, en een rondje dat wat erin staat niet geobserveerd is.
Een andere naam voor een variabele die niet geobserveerd is, is een
latente variabele.
Het padmodel heeft verschillende basiselementen:
- Eenheden.
- Variabelen.
- Relaties.
, o Covariatie (correlatie).
o Causale effecten.
Direct.
Indirect.
Schijnrelaties.
Wederkerige effecten (spurious).
Conditionele effecten.
De eenheden (units, objects) zijn die dingen die de eigenschappen
hebben waar je geïnteresseerd in bent, zoals mensen, tijd, en ruimtelijke
eenheden. Eenheden kunnen op verschillende niveaus bestaan:
Niveau Mensen Tijd Ruimte
Laag Personen Dagen Klaslokalen
Echtparen Weken Campussen
Hoog Groepen Jaren Landen
Variabelen zijn de eigenschappen van eenheden waar je
geïnteresseerd in bent. Er moet variatie zijn in de eigenschap over de
eenheden, als er geen variatie is in de eigenschap over de eenheden is het
geen variabele maar een constante. Er worden vaak fouten gemaakt bij
variabelen, bijvoorbeeld verwarring van de waarden van de variabele met
de variabele zelf (rijk en arm zijn waarden van de variabele inkomen) of
verwarring van een proces met een variabele (stress is een proces
waardoor een variabele wisselt).
Een relatie houdt in dat er twee variabelen voorkomen en dat de waarden
van de ene variabele samengaan met die van de andere. Er zijn twee
soorten relaties: Covariaties en causale relaties.
Een causale relatie betekent dat de ene variabele leidt tot verandering
in de andere variabele. Als je de onafhankelijke verandert, dan verandert
daardoor ook de afhankelijke. Bijvoorbeeld: Opletten leidt tot kennis.
Spurious relaties worden ook wel schijnrelaties genoemd.
Schijnrelaties zorgen voor onderstaand effect:
- Causale uitspraak 1: Chocolade veroorzaakt geluk.
- Causale uitspraak 2: Chocolade veroorzaakt langer
leven.
- Daardoor een covariatie uitspraak: Gelukkige mensen
leven langer.
o X veroorzaakt Y1, X veroorzaakt Y2, Y1 hangt
samen met Y2.
Ook heb je directe en indirecte effecten. Zo kunnen
negatieve emoties direct leiden tot een slechtere zelfzorg, en slechtere
zelfzorg kan direct leiden tot een slechtere gezondheid. Negatieve emoties
kunnen dus indirect leiden tot een slechtere gezondheid. Bij een
covariatie-uitspraak zeg je dan dat negatieve emoties gerelateerd zijn aan
een slechtere gezondheid, door de gedragsfactor zelfzorg.
Reciprocal effects zijn wederkerige effecten.
, Dit bestaat uit twee causale uitspraken: Gezondheid veroorzaakt geluk,
en geluk veroorzaakt gezondheid. Dit zijn twee directe effecten, dus je
moet twee aparte pijlen tekenen, niet één losse. Een reciprocal effect
wordt niet expliciet genoemd.
Conditionele effecten: Soms beïnvloedt een variabele niet (alleen) een
andere variabele, maar (ook) een effect. De variabele is dan een
moderator. Bijvoorbeeld: Negatieve emoties leiden tot zelfverwaarlozing,
tenzij de persoon in een relatie is.
Overzicht van de basiselementen:
Wat moet je na dit college weten?
- Eenheden en variabelen herkennen.
- Relaties herkennen in een tekst.
- Causale van niet-causale uitspraken onderscheiden
- Directe effecten, indirecte effecten, schijnrelaties, en conditionele
effecten herkennen en de bijbehorende pijlen tekenen.
Hoorcollege 2
Er zijn drie stappen om tekst in een paddiagram om te zetten:
- Een lijst met variabelen maken.
- De causale ordening vaststellen.
- De causale hypotheses formuleren.
Voorbeeld: Onderzoekers hebben maladjustment van kinderen vaak
toegewezen aan constitutionele factoren, zoals risicovolle
gedragsdisposities, of omgevingsinvloeden, zoals ouders of vrienden. Onze
hypothese was dat:
1. Kinderen die agressief zijn of angstig gedrag vertonen in peer-
interacties een grotere kans hebben op het vormen van ‘adverse’
peer relaties.
2. Kinderen krijgen negatieve overtuigingen over henzelf en hun
vrienden door deze chronische relationele afkeer.