NEDERLANDS
1 – ONDERWERP, HOOFDGEDACHTE, TEKSTDOEL EN TITEL
onderwerp ⟶ een woord(groep) die aangeeft waarover de tekst gaat (GEEN ZIN)
hoofdgedachte ⟶ een mededelende zin die het belangrijkste weergeeft wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt
hoofdgedachte is een constatering > tekstdoel is informeren/opiniëren
hoofdgedachte is een mening > tekstdoel is overtuigen/activeren
tekstdoelen:
- amuseren = het publiek vermaken met iets wat leuk/spannend/ontroerend is
- informeren = het publiek uitleggen hoe iets in elkaar zit/hoe iets is
- opiniëren = het publiek zelf een mening laten vormen
- overtuigen = het publiek een mening laten overnemen
- activeren = het publiek aanzetten iets te gaan doen/juist niet te doen
er zijn 2 soorten titels:
- informerende titel= geeft aan waarover een tekst gaat (Het terugbetalen van studieschuld is een groeiend probleem)
- motiverende titel= maakt de lezer nieuwsgierig naar de tekst (Afgestudeerden zitten op zwart zaad)
2 – INLEIDING EN SLOT
inleiding:
- trekt de aandacht van het publiek
⟶ naar een actuele gebeurtenis verwijzen (beginnen met iets wat nu in belangstelling staat; in de media/onder de mensen)
⟶ kort de voorgeschiedenis beschrijven (hoe er in het verleden over het onderwerp is gedacht/hoe ermee is omgegaan > publiek nieuwsgierig)
⟶ een aantrekkelijk voorbeeld geven (kort verhaaltje > anekdote)
⟶ het belang voor het publiek aangeven
- introduceert het onderwerp van de tekst
⟶ er worden 1 of meer vragen gesteld (hebt u een inkomen? koopt u wel eens iets in de winkel?)
⟶ er wordt een mening/standpunt geformuleerd (ik vind dan ook, het is leuk, mijn mening)
⟶ er wordt een probleem geschetst
- trekt aandacht van het publiek doormiddel van een sterke eerste zin
⟶ een intrigerende vraag (waarom denk men dat…?)
⟶ schokkende/opvallende cijfers (een op de tweehonderd inwoners zijn…)
⟶ een paradox/tegenstelling (onze kennis groeit en tegelijkertijd weten we minder)
⟶ een prikkelend citaat (‘er zijn vier soorten van liegen’ zegt Disraeli)
⟶ een suggestieve/raadselachtige opsomming (een geweer, een koe, een huis. Wat hebben deze woorden met elkaar te maken?)
slot ⟶ begint met kortom, al met al, ik rond nu af, dus EN bevat:
- de hoofdgedachte (conclusie)
- een samenvatting in enkele zinnen (alleen bij lange teksten)
- een afweging
- een toekomstverwachting
- een aansporing of aanbeveling
manieren om aantrekkelijk te eindigen:
- aansluiting bij het begin > in het slot terugkomen op de aandachttrekker uit de inleiding
- een uitsmijter/pakkende slotzin > retorische vraag of citaat
3 - MIDDENSTUK
deelonderwerp ⟶ deel van de tekst (vaak in het middenstuk) die bestaat uit 1 of meerdere alinea’s
tekststructuren
inledeiding middenstuk slot
Argumentatiestructuur stelling, standpunt argumenten voor de stelling tegenargumenten (+ weerlegging)
herhaling stelling/beantwoording
Aspectenstructuur aankondiging onderwerp aspecten van het onderwerp samenvatting
Probleem-oplossingsstructuur probleem gevolgen oorzaken/(beste) oplossingen
Verklaringsstructuur bepaald verschijnsel kenmerken/voorbeelden verklaring/oorzaak/reden
samenvatting of conclusie
Verleden-hedenstructuur introductie onderwerp situatie vroeger situatie nu
conclusie of voorspelling toekomst
Voor- en nadelenstructuur vraag of stelling voor- en nadelen afweging en conclusie
Vraag-antwoordstructuur vraag antwoord(en) samenvatting/conclusie
1 – ONDERWERP, HOOFDGEDACHTE, TEKSTDOEL EN TITEL
onderwerp ⟶ een woord(groep) die aangeeft waarover de tekst gaat (GEEN ZIN)
hoofdgedachte ⟶ een mededelende zin die het belangrijkste weergeeft wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt
hoofdgedachte is een constatering > tekstdoel is informeren/opiniëren
hoofdgedachte is een mening > tekstdoel is overtuigen/activeren
tekstdoelen:
- amuseren = het publiek vermaken met iets wat leuk/spannend/ontroerend is
- informeren = het publiek uitleggen hoe iets in elkaar zit/hoe iets is
- opiniëren = het publiek zelf een mening laten vormen
- overtuigen = het publiek een mening laten overnemen
- activeren = het publiek aanzetten iets te gaan doen/juist niet te doen
er zijn 2 soorten titels:
- informerende titel= geeft aan waarover een tekst gaat (Het terugbetalen van studieschuld is een groeiend probleem)
- motiverende titel= maakt de lezer nieuwsgierig naar de tekst (Afgestudeerden zitten op zwart zaad)
2 – INLEIDING EN SLOT
inleiding:
- trekt de aandacht van het publiek
⟶ naar een actuele gebeurtenis verwijzen (beginnen met iets wat nu in belangstelling staat; in de media/onder de mensen)
⟶ kort de voorgeschiedenis beschrijven (hoe er in het verleden over het onderwerp is gedacht/hoe ermee is omgegaan > publiek nieuwsgierig)
⟶ een aantrekkelijk voorbeeld geven (kort verhaaltje > anekdote)
⟶ het belang voor het publiek aangeven
- introduceert het onderwerp van de tekst
⟶ er worden 1 of meer vragen gesteld (hebt u een inkomen? koopt u wel eens iets in de winkel?)
⟶ er wordt een mening/standpunt geformuleerd (ik vind dan ook, het is leuk, mijn mening)
⟶ er wordt een probleem geschetst
- trekt aandacht van het publiek doormiddel van een sterke eerste zin
⟶ een intrigerende vraag (waarom denk men dat…?)
⟶ schokkende/opvallende cijfers (een op de tweehonderd inwoners zijn…)
⟶ een paradox/tegenstelling (onze kennis groeit en tegelijkertijd weten we minder)
⟶ een prikkelend citaat (‘er zijn vier soorten van liegen’ zegt Disraeli)
⟶ een suggestieve/raadselachtige opsomming (een geweer, een koe, een huis. Wat hebben deze woorden met elkaar te maken?)
slot ⟶ begint met kortom, al met al, ik rond nu af, dus EN bevat:
- de hoofdgedachte (conclusie)
- een samenvatting in enkele zinnen (alleen bij lange teksten)
- een afweging
- een toekomstverwachting
- een aansporing of aanbeveling
manieren om aantrekkelijk te eindigen:
- aansluiting bij het begin > in het slot terugkomen op de aandachttrekker uit de inleiding
- een uitsmijter/pakkende slotzin > retorische vraag of citaat
3 - MIDDENSTUK
deelonderwerp ⟶ deel van de tekst (vaak in het middenstuk) die bestaat uit 1 of meerdere alinea’s
tekststructuren
inledeiding middenstuk slot
Argumentatiestructuur stelling, standpunt argumenten voor de stelling tegenargumenten (+ weerlegging)
herhaling stelling/beantwoording
Aspectenstructuur aankondiging onderwerp aspecten van het onderwerp samenvatting
Probleem-oplossingsstructuur probleem gevolgen oorzaken/(beste) oplossingen
Verklaringsstructuur bepaald verschijnsel kenmerken/voorbeelden verklaring/oorzaak/reden
samenvatting of conclusie
Verleden-hedenstructuur introductie onderwerp situatie vroeger situatie nu
conclusie of voorspelling toekomst
Voor- en nadelenstructuur vraag of stelling voor- en nadelen afweging en conclusie
Vraag-antwoordstructuur vraag antwoord(en) samenvatting/conclusie