Verbintenissenrecht 2
Leerdoelen
Leerdoelen week 1
- in casuïstiek gemotiveerd aangeven of sprake is van aansprakelijkheid uit onrechtmatige
daad.
1) Onrechtmatig
1. Daad of nalaten
2. Onrechtmatig
Inbreuk op een recht (bijvoorbeeld: Het eigendomsrecht)
In strijd met een wettelijke plicht (bijvoorbeeld: Wegenverkeerswet 1994)
In strijd met maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm (bijvoorbeeld:
Gedragsregels)
2) Toerekening
1. Schuld
Je eigen schuld, je hebt verwijtbaar gehandeld
2. Wet
Bijvoorbeeld: Art. 6:165 BW
3. Verkeersopvatting
Wat wij in de maatschappij vinden
3) Schade
1. Vermogensschade (materieel)
Art. 6:96 BW
2. Ander nadeel (immaterieel)
Art. 6:106 BW
4) Causaal verband
De schade die is ontstaan, is het gevolg van de daad of het nalaten
5) Rechtvaardigingsgrond
Dit haalt de toerekening weg
1. Overmacht
2. Noodweer
3. Bevoegd gegeven ambtelijk bevel
4. Wettelijk voorschrift
5. Toestemming
De ene partij geeft de andere partij toestemming
6) Relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW)
Als je in strijd handelt met maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, is de relativiteit
eigenlijk al ingevuld. Er moet even stil gestaan worden of de norm die geschonden is,
eigenlijk wel bedoelt is om de benadeelde te beschermen.
Voorbeeld: Tandarts-arrest
Een tandarts had een praktijk geopend, zonder dat hij daar diploma’s voor had. Andere
tandartsen hebben hem aangeklaagd wegens onrechtmatige daad. De
relativiteitsvereiste is hier aan de orde, omdat hier de patiënten beschermd moeten
worden en niet de andere tandartsen.
, Jacky Steffen 51-R2Q-T Verbintenissenrecht 2
- aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria het leerstuk gevaarzetting
uitleggen en toepassen.
De ‘Kelderluik-criteria’
1. Hoe waarschijnlijk kan de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en
voorzichtigheid worden geacht? (i.c. Hoe waarschijnlijk is het dat iemand het
kelderluik over het hoofd ziet?)
2. Hoe groot is de kans dat daaruit ongevallen ontstaan? (i.c. Hoe groot is de kans
dat iemand die het geopende kelderluik over het hoofd ziet, ook werkelijk in de
kelder valt en letsel oploopt?)
3. Hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn? (i.c. Hoe ernstig kan het letsel zijn ten
gevolge van een val in de kelder?)
4. Hoe bezwaarlijk zijn de te nemen veiligheidsmaatregelen? (i.c. Hoeveel werk of
kosten zijn er gemoeid met het sluiten van het luik of het aanbrengen van een
beveiliging, bijv. door er iets voor te zetten?)
- de wettelijke regels van de verjaring van een vordering uit onrechtmatige daad
analyseren en toepassen in een casus.
Als een vordering nog in een verjaringstermijn zit, kun je de vordering opeisbaar maken
(rechtens afdwingbaar). Na de verjaringstermijn van 5 jaar (art. 3:310 BW) betaald een
persoon. Na deze verjaringstermijn (vijf jaar) wordt het een natuurlijke verbintenis (art.
6:3 BW). Het kenmerk van een natuurlijke verbintenis is, dat de vordering niet meer
rechtens afdwingbaar is. De persoon betaalt. Er is nu voldaan aan de natuurlijke
verbintenis. Elke verbintenis bevat een rechtsgrond. Een kenmerk van een natuurlijke
verbintenis is dat er geen rechtsgrond meer inzit. Het geld terugvorderen noem je
onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Deze onverschuldigde betaling houdt in dat
men iets betaalt heeft, maar dit niet had hoeven te doen.
Joeri kan het geld niet terugvorderen. Hij had het geld sowieso al moeten betalen.
Dus: Als er een vorderingsschade is, is deze dus rechtens afdwingbaar. Als de
verjaringstermijn verlopen is, dan is er sprake van een natuurlijke verbintenis zonder
rechtsgrond.