Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
College aantekeningen

Kennistoets 1.1 samenvatting

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
22
Geüpload op
26-05-2022
Geschreven in
2021/2022

Dit is een uitgebreide samenvatting van kennistoets 1.1

Voorbeeld van de inhoud

Ziekten
WHO: 'Gezondheid is een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welzijn en niet slechts de afwezigheid
van ziekte of andere lichamelijk gebreken.'
Huber: 'Gezondheid als het vermogen om zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke,
emotionele en sociale uitdagingen in het leven.'

Patiëntgerichte zorg: patiëntgericht verplegen en door uit te gaan van het individu, met zijn eigen wensen en behoeften

Ziekte: Ziekte is een tijdelijke lichamelijke of psychische aandoening die een organisme belemmert in het normale functioneren.
en ziek organisme is uit zijn evenwicht, er is sprake van een verstoorde homeostase. Ziekte gaat vaak gepaard met symptomen
die wijzen op de abnormale toestand.

Draagkracht: het vermogen/de kracht die een persoon heeft om tegenslagen te verdragen. Draaglast: de hoeveelheid
tegenslag, problemen, handicaps en andere bronnen van stress die iemand op zijn levenspad tegenkomt, noemen we de
draaglast.

Decompensatie: onvoldoende werking van het hart, als de ziekte het overwint. Hoe meer draaglast hoe groter het risico op
decompensatie. Je draaglast word meer dan de draagkracht die je bezit.

Een ziekte beschrijven
1. Synoniem (andere naam)
2. Beschrijving (wat is het)
3. Epidemiologie (Hoe vaak, bij wie, wanneer, voorkomen)
4. Pathophysiologie (ziekteleer, wat is er mis)
5. Etiologie (oorzaakleer, waarom is het er, hoe komt het)
6. Symptomen / verschijnselen
7. Aanvullend onderzoek (vaststellen)
8. Differentiaaldiagnostiek (waar lijken de verschijnselen / klachten op)
9. Diagnose (vaststellen van het ziektebeeld)
10. Therapie (de behandeling)
11. Complicaties (bijkomende ziektes)
12. Prognose/verdere verloop

Ziekteprocessen
Zonder afweersysteem kan je niet leven; je moet voorkomen dat je aangevallen word door bacteriën, virussen en eigen
kwaadaardige cellen. Een afweersysteem heb je vanaf je geboorde, niet specifiek. Specifieke afweersystemen: je moet leren
hoe je er iets aan kunt doen, het ontstaat vanuit het lichaam.

Ziektes door gebrekkig afweersysteem;
- Afweer (iets wat er niet hoort te zijn word afgeweerd)
- Eerste lijn defensie: Huid en slijmvliezen maken je dicht (niet specifieke afweer)
- Tweedelijns defensie: De ontstekingsreactie (specifieke afweer)
- Fagocytose (opeten) door witte bloedcellen – ontstekingsreactie (verwijding van bloedvaten)
- Eiwitten van het complementsysteem (versterken o.a. ontstekingsreactie)
- (Aangeleerde)Specifieke afweer (immuunsysteem)
- Derde lijn defensie: T- en B-lymfocyten, antistoffen (t- en b-lymfocyten, het immuunsysteem)

Infectieziekten; ziekten die worden veroorzaakt door bacteriën, virussen, schimmels of parasieten → door micro-organismen →
leidt tot ziekte of ontsteking.

Een infectie wordt altijd veroorzaakt door een vreemd organisme (een bacterie, virus, schimmel, parasiet...) dat het lichaam
binnendringt.
Een ontsteking is een beschermingsreactie van ons lichaam op beschadiging van bepaalde lichaamsweefsels (bv. huid,
spieren, gewrichten, slijmvliezen...) ontstaat niet altijd door micro-organismen.

Ziekte door erfelijke aandoening: 2 chromosomen met 1 recessief gen = niet kleuren blind, als je 1 dominant gen hebt wordt je
wel kleurenblind. 2 recessieve chromosomen = kleuren kleurenblind



Belangrijke begrippen
1. Opportunistische infecties; verminderde afweer
2. Endemische ziekte; ziekte die in een bepaald gebied al heel lang voorkomt (malaria, buiktyfus)
3. Epidemie; in een bepaald gebied en bepaalde periode (de griep, corona)
4. Verticale overdracht; van moeder op kind, generatie op generatie.
5. Aerogene besmetting; via de luchtwegen (hoesten, niezen)
6. Nosocomiale infecties; in zorginstellingen; die frequent in een zorginstelling voorkomen (ziekenhuizen,
verpleeghuizen) Infecties uit het ziekenhuis zijn vaak niet resistent tegen antibiotica door het aantal bacteriën die daar
zitten en niet gevoelig zijn. (mrsa)




1

, Anamnese en diagnose
Anamnese; een gesprek over de klachten van de patiënt die kan leiden tot een diagnose.
1. Hetero-anamnese; zonder de patiënt met een vertegenwoordiger (mantelzorger, zoon/dochter)
2. Auto-anamnese; met de patiënt zelf.

Belangrijk is om je aan de feiten te houden, geen suggestieve vragen te stellen, niet teveel op details, selectief; geen
dwaalsporen.

Onderdelen anamnese:
1. Hoofdklacht
2. Speciele anamnese: specifieke vragen uitvragen over de hoofdklacht.
3. Algemene anamnese: (Tractus stelsel) kort gericht vragen over de verschillende stelsels van het lichaam. Je krijgt een
volledig beeld over de gezondheid van het hele lichaam.
o Circulatorius; hartkloppingen, dikke benen
o Respiratorius; hoesten; dyspnoe?
o Digestivus; eetlust; diarree?
o Urogenitalis; pijn bij plassen? Menstruatiepatroon.
o CSZ zingtuigen; hoofdpijn? Slechtziend?
o Overige stelsels

4. Overgevoeligheid
5. Intoxicaties
6. Geneesmiddelen
7. Voorgeschiedenis
8. Familie anamnese

Gebruik bij huidletsel een wondanamnese volgens de ALTIS methode (Aard, Lokalisatie, Tijdsduur, Intensiteit en Samenhang).
Deze dient ervoor om klachten bij wonden steeds op dezelfde manier te beoordelen.

Lichamelijk onderzoek;
Inspectie; observeren patiënt; kijken, ruiken, voelen, horen enz.
Auscultatie; luisteren met de stethoscoop naar de longen, hart en buik (darm).
Percussie; percuteren van organen; vaststellen van organen met trommelen.
Palpatie; voelen; het uitwendig of inwendig met de hand of handen voelen aan een patiënt als onderdeel van geneeskundig
onderzoek
Toucher; voelen in rectum

Aanvullend onderzoek

1. Laboratorium;
Hematologisch; bloedonderzoek (HB hemoglobine) BSE (bezinkingssnelheid rode bloedcellen in een buisje;
bij hoge snelheid is vaak ontsteking)
Klinisch chemisch; bloed naar mineralen, enzymen. CO2, K, ureum, LDH,
2. Radiologisch
Röntgen
3. Angiografie; onderzoek van bloedvaten
4. Scintigrafie; met behulp van een radioactieve stof de werking van organen of klieren, of aandoeningen aan het skelet
worden onderzocht
5. Echografie; met geluidsgolven afbeeldingen maken van organen of structuren in het lichaam
6. MRI; de ligging, grootte en structuur van organen en botten weer te geven.
7. Endoscopie; de binnenkant van slokdarm, maag of darmen inspecteren. Bij een echo-endoscopie is er op het
uiteinde van de endoscoop een echoapparaatje geplaatst. Bronco (bronchiën)– gastro (maag) – colo (dikke darm) –
laparo (lichaam, navel) – arthro (gewricht) – fundo (lampje door de pupil, bloedvaten in de oogbol)
8. Overige; ECG (hart), EEG (hersenen), EMG (spieren) controleren.

Diagnose en differentiaal diagnose:
Een diagnose is de definitieve vaststelling van het ziektebeeld. (de oorzaak van de klachten van de patiënt).
Een differentiaal diagnose is een alternatieve diagnose als de definitieve diagnose nog niet gesteld is. Een wetenschappelijke
methode om uit een lijst met mogelijke aandoeningen waaraan een bepaalde patiënt zou kunnen lijden, gegeven de klachten en
symptomen die op dat moment bekend zijn, een diagnose te stellen = diacrise.

Diagnose; anamnese, lichamelijk onderzoek, aanvullend onderzoek
Differentiaal diagnose (DD); anamnese, lichamelijk onderzoek, Differentiaal diagnose.

Pijnbeleving: een pijnprikkel voel je met de sensorische zenuwen → sturen een sigaar naar de hersenen → sturen signalen
naar de spieren om te bewegen (bijvoorbeeld je hand wegtrekken van een kokende waterketel). Pijn begint dus bij de zenuwen.

Meetinstrumenten: de NRS-score (Numeric Rating Scale), soms ook wel VAS-score (Visuele Analoge Schaal). Met een schaal
van 0 – 10. De NRS is een meetlint met boze en blije gezichten

Pijn herkennen: Lichamelijke factoren, psychische factoren, sociale factoren, spirituele factoren. Wat je hoort van een patiënt of
ziet. Non verbaal en verbaal gedrag



2

, Medicatie
Een geneesmiddel is een biologisch actieve stof van synthetische (fabriek), plantaardig of dierlijke oorsprong.
o Preventief (voorkomen van)
o Subsitutioneel (aanvullen in het lichaam, insuline)
o Diagnostisch (voor een Röntgenfoto)
o Palliatief (verzachtend).

Medicatie kan je op verschillende vormen toepassen:
Toedieningswegen
o lokaal(direct op plek werking vb. zalf)
o systemisch(in het hele systeem);
o enteraal(via spijsverteringskanaal)
o parenteraal (inspuiten, luchtwegen o.i.d.)

Toedieningsvormen (het geneesmiddel moet er nog bij in)
o Droge toepassing:
Poeder, capsules en tabletten (dragees, enteric coated, bruis, kauw/zuig, retard (SR=slow release)) Om te tabletten
zit een soort zakje om te beschermen tegen de maag.

o Natte toepassing
Oplossing, suspensie (vocht met vaste deeltjes), emulsie (vloeistof met kleine druppeltjes), injectie (inspuiten), infusie
(langdurig inspuiten d.m.v. infuus)

o Vette toepassing
Zalf (relatief veel vet, bij droge huid of dat het lang blijft zitten), crème (met veel water; je smeert het goed weg, geeft
een vochtige huidaandoening, je moet het goed smeren), pasta (poedersubstantie, bij natte huidaandoening)

Farmacologie = geneesmiddelenleer
Farmacokinetiek = wat doet het lichaam met het geneesmiddel?
1. Opname (Ab-/resorptie) snelheid afhankelijk van toedieningsweg, parenteraal is het snelst.
2. Verdeling en transport (distributie) verdeling van het middel over de weefsels.
 Reversibel: hoe komt het in de weefsels en hoe gaat het er weer uit?
Beïnvloedende factoren: eigenschappen van het geneesmiddel lipofiel (vettig) of hydrofiel
(stofjes die graag in water zitten). De organen: stapelen en bloeddoorstroming. Het individu:
adipeuze personen en ouderen. Vettige en geladen middelen komen makkelijker in de
hersenen.
3. Afbreken (biotransformatie of metabolisme) de lever voert bijna alle biotransformaties uit.
 Lever zet middelen om in metabolieten.
 Metabolisering: lipofiel → hydrofiel, nier, excretie. De andere stoffen blijven lipofiel en
verlaten het lichaam via de gal – MD-kanaal – fecestrabolisme.
 Factoren die beïnvloeden: alcohol, andere geneesmiddelen, leeftijd, leveraandoeningen.
4. Uitscheiding (excretie) het lichaam uit
 Lipofiel: via MD kanaal (via lever en gal) vettig via de gal.
 Hydrofiel: via de nieren (via lever en bloed) het is wateroplosbaar gemaakt door de gal.
 Beïnvloedende factoren: meerdere geneesmiddelen, doorbloeding nieren, nieraandoening,
PH urine, ouderdom.

Farmacodynamiek = wat doet het geneesmiddel met het lichaam?
Het geneesmiddel gaat op een receptor zitten en opent een cel. Dit kan het lichaam aangrijpen op vier manieren:
1. Receptoren: cel (aan de wand receptoren, eiwitten) als er op de eiwitten word gedrukt gaat de cel
glucose opnemen en opslaan.
2. Lonenkanalen: laten natrium, kalium en calcium door. Het linkse kanaal kan niks doorlaten. Het
rechtse kanaal kunnen kleine deeltjes doorheen, dan trekt de cel samen (het kanaal).
3. Enzymen (aspirine en NSAID) minder ontstekingsstoffen die de reacties versterken.
4. Transporteiwitten (bepaalde stoffen, grote moleculen naar binnen of naar buiten brengen) de happers
laten grote moleculen door die niet door een membraam kunnen.
Farmacie = leer van de bereiding van geneesmiddelen
Farmacotherapie = hoe schrijf je geneesmiddelen voor

De hoofdwerking en bijwerkingen van medicatie: (bij uitdelen altijd dubbele controle)
o Hoofdwerking
o Bijwerking
o Specifiek; betreffen van doelorgaan
o Aspecifiek; allergie, systemische reacties
o Interactie op vier niveaus: resorptie, distributie, biotransformatie, excretie.
o Nevenwerking: bijwerkingen die gunstig zijn
o Contra indicatie: liever niet geven bij zwangerschap of borstvoeding
o Relatief: alleen in extreme gevallen/omstandigheden
o Absoluut: nooit geven

Medicatie: check gele sticker met waarschuwingstekst ('Dit geneesmiddel kan het reactievermogen verminderen').

Therapieontrouw: De bijwerkingen, niet accepteren van de ziekte/medicatie, niet houden aan het voorschrift, zelf stoppen.



3

Documentinformatie

Geüpload op
26 mei 2022
Aantal pagina's
22
Geschreven in
2021/2022
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Samenvatting kennistoets 1.1
Bevat
Alle colleges

Onderwerpen

€10,99
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
fdvmsz

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
fdvmsz ROC Aventus
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
-
Lid sinds
4 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
0
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen