18.3 CPPF
= canadian practice process framework
18.3.1 achtergrond
= ondersteund ergotherapeuten in het samenwerken met de client en plaatst de
uitvoering en de betrokkenheid van het dagelijks handelen van de client in de kern
van de interventie
Een framework dat:
- Evidence-based
- Occupation-based
- Clientgecentreerd
Cppf is gericht op het mogelijk maken van veranderingen in uitvoering en
betrokkenheid van het dagelijks handelen
Client neemt binnen cppf zelf beslissingen ET informeert client zodanig dat hij
deze beslissing zelf kan nemen
Uitgebreide vraagverheldering: die de bestaanswijze of levensloop van de client in
kaart brengt en respecteert
Grafisch illustreert dit de dynamische uitwisseling tussen
client en de ET, waarbij voortdurend gereflecteerd wordt
op de specifieke omgeving
- Beide hoofdrollen hebben verantwoordelijkheid
en nemen actief deel a/h ETproces en worden
beinvloed door reeks persoonlijke en
omgevingsfactoren
- Client= heeft handelingsrepertoire: reeks
handelingen die hij heeft op een bepaald
moment in zijn leven heeft ook
handelingspatronen: vaste en voorspelbare
manieren van dagelijks handelen
, Cppf beschrijft her ET proces in vier afzonderlijke elementen:
Drie van deze zijn context gebonden :
1) Maatschappelijke context (buitenste vierkant)
2) Praktijkcontext (binnenste vierkant)
3) Referentiekaders (grote cirkel)
Procesgeoriënteerd en bestaat uit 8 actiepunten (4)
De actiepunten: staat voor respect voor diversiteit in religie, waarden en interesses
6 middelste actiepunten: dialoog client en ET
Deze actiepunten verlopen van blauw (client) naar wit (therapeut) wat aangeeft dat
beiden hun eigen aandeel hebben in elk actiepunt: client als expert van zijn eigen DH
en de therapeut in het mogelijk maken van het DH
18.3.2 maatschappelijke en praktijkcontext
Maatschappelijke context: culturele, fysieke, institutionele en sociale omgeving
Praktijkcontext: de plek waar de client zijn handelingsvraag heeft
Relatie cliënt-therapeut wordt beïnvloedt door persoonlijke en omgevingsfactoren
Tussen de twee omgevingen in een gestippelde lijn getekend dat betekent dat de
twee in elkaar verankerd zijn en gemeenschappelijke invloeden hebben
Start ET proces: beide partijen nemen persoonlijke factoren mee
Praktijkcontext: zijn het 4 omgevingselementen van het CMOP-E
18.3.3 referentiekaders
Keuze referentiekaders kan veranderen gedurende het ET proces
Zorgt dat het DH van de client inzichtelijk wordt, beter te begrijpen wordt en de
oorzaken duidelijk worden
Helpen ET bij de richting van het onderzoek en opstellen en uitvoeren van een plan
van aanpak en de verantwoording vd gemaakte keuzes
= canadian practice process framework
18.3.1 achtergrond
= ondersteund ergotherapeuten in het samenwerken met de client en plaatst de
uitvoering en de betrokkenheid van het dagelijks handelen van de client in de kern
van de interventie
Een framework dat:
- Evidence-based
- Occupation-based
- Clientgecentreerd
Cppf is gericht op het mogelijk maken van veranderingen in uitvoering en
betrokkenheid van het dagelijks handelen
Client neemt binnen cppf zelf beslissingen ET informeert client zodanig dat hij
deze beslissing zelf kan nemen
Uitgebreide vraagverheldering: die de bestaanswijze of levensloop van de client in
kaart brengt en respecteert
Grafisch illustreert dit de dynamische uitwisseling tussen
client en de ET, waarbij voortdurend gereflecteerd wordt
op de specifieke omgeving
- Beide hoofdrollen hebben verantwoordelijkheid
en nemen actief deel a/h ETproces en worden
beinvloed door reeks persoonlijke en
omgevingsfactoren
- Client= heeft handelingsrepertoire: reeks
handelingen die hij heeft op een bepaald
moment in zijn leven heeft ook
handelingspatronen: vaste en voorspelbare
manieren van dagelijks handelen
, Cppf beschrijft her ET proces in vier afzonderlijke elementen:
Drie van deze zijn context gebonden :
1) Maatschappelijke context (buitenste vierkant)
2) Praktijkcontext (binnenste vierkant)
3) Referentiekaders (grote cirkel)
Procesgeoriënteerd en bestaat uit 8 actiepunten (4)
De actiepunten: staat voor respect voor diversiteit in religie, waarden en interesses
6 middelste actiepunten: dialoog client en ET
Deze actiepunten verlopen van blauw (client) naar wit (therapeut) wat aangeeft dat
beiden hun eigen aandeel hebben in elk actiepunt: client als expert van zijn eigen DH
en de therapeut in het mogelijk maken van het DH
18.3.2 maatschappelijke en praktijkcontext
Maatschappelijke context: culturele, fysieke, institutionele en sociale omgeving
Praktijkcontext: de plek waar de client zijn handelingsvraag heeft
Relatie cliënt-therapeut wordt beïnvloedt door persoonlijke en omgevingsfactoren
Tussen de twee omgevingen in een gestippelde lijn getekend dat betekent dat de
twee in elkaar verankerd zijn en gemeenschappelijke invloeden hebben
Start ET proces: beide partijen nemen persoonlijke factoren mee
Praktijkcontext: zijn het 4 omgevingselementen van het CMOP-E
18.3.3 referentiekaders
Keuze referentiekaders kan veranderen gedurende het ET proces
Zorgt dat het DH van de client inzichtelijk wordt, beter te begrijpen wordt en de
oorzaken duidelijk worden
Helpen ET bij de richting van het onderzoek en opstellen en uitvoeren van een plan
van aanpak en de verantwoording vd gemaakte keuzes