Humane levenscyclus I DT2
Samenvatting levenscyclus v/d mens t/m 5
,
, 1 Een samenspel tussen cellen en eiwitten
Embryogenese
- Morfologisch perspectief: vormveranderingen die plaatsvinden, morfo=vorm.
- Moleculair perspectief: de moleculen, eiwitten, die de vormveranderingen aansturen,
controleren en mogelijk maken. DNA en cellen.
Differentiële genexpressie ligt ten grondslag aan cel differentiatie
- Informatie opgeslagen in bevruchte eicel, DNA chromosomen genen
eiwitten verschillende biologische functies.
- Welke genen actief zijn wordt bepaald door een specifieke transcriptiefactoren,
o Eerste klievingsdelingen genexpressie in de gevormde cellen (blastomeren)
niet noemenswaardig verschillend,
o Cellen aan de rand van de morula (stadium waarin de vrucht uit 16 of meer
identieke cellen bestaat) gaan het toekomstige trofectoderm (=trofoblast)
andere cellen tot expressie brengen,
Kenmerkende verschillen zijn de expressie van specifieke
transcriptiefactoren, zoals Cdx2 (buitenzijde) en Oct3/4 (binnenkant)
meest prille differentiatie in gang gezet.
aan- of afwezigheid van transcriptiefactoren leidt tot verschillen in expressie van genen
celeigenschappen veranderen van elkaar trofectoderm ontwikkelt (troof=voedend) tot
placenta. De binnenste celmassa wordt het echte embryo (embryo proper).
Inductie en paracriene factoren: van celsignalering naar differentiatie
Eerste veranderingen worden aangestuurd door eiwitten. Signaaloverdracht door inductie:
interactie op korte afstand tussen 2 of meer cellen of weefsels met een verschillende
geschiedenis of verschillende eigenschappen.
- Inducer (veroorzaker)
- Competente responder (beantwoorder)
Samenvatting levenscyclus v/d mens t/m 5
,
, 1 Een samenspel tussen cellen en eiwitten
Embryogenese
- Morfologisch perspectief: vormveranderingen die plaatsvinden, morfo=vorm.
- Moleculair perspectief: de moleculen, eiwitten, die de vormveranderingen aansturen,
controleren en mogelijk maken. DNA en cellen.
Differentiële genexpressie ligt ten grondslag aan cel differentiatie
- Informatie opgeslagen in bevruchte eicel, DNA chromosomen genen
eiwitten verschillende biologische functies.
- Welke genen actief zijn wordt bepaald door een specifieke transcriptiefactoren,
o Eerste klievingsdelingen genexpressie in de gevormde cellen (blastomeren)
niet noemenswaardig verschillend,
o Cellen aan de rand van de morula (stadium waarin de vrucht uit 16 of meer
identieke cellen bestaat) gaan het toekomstige trofectoderm (=trofoblast)
andere cellen tot expressie brengen,
Kenmerkende verschillen zijn de expressie van specifieke
transcriptiefactoren, zoals Cdx2 (buitenzijde) en Oct3/4 (binnenkant)
meest prille differentiatie in gang gezet.
aan- of afwezigheid van transcriptiefactoren leidt tot verschillen in expressie van genen
celeigenschappen veranderen van elkaar trofectoderm ontwikkelt (troof=voedend) tot
placenta. De binnenste celmassa wordt het echte embryo (embryo proper).
Inductie en paracriene factoren: van celsignalering naar differentiatie
Eerste veranderingen worden aangestuurd door eiwitten. Signaaloverdracht door inductie:
interactie op korte afstand tussen 2 of meer cellen of weefsels met een verschillende
geschiedenis of verschillende eigenschappen.
- Inducer (veroorzaker)
- Competente responder (beantwoorder)