What is economics?
Economie: van Grieks woord oikonomos (degene die een huishouden beheert). 3 vragen in elke maatschappij:
Welke goederen en services moeten worden geproduceerd?
Hoe worden deze geproduceerd?
Wie moeten deze krijgen?
3 categorieën bronnen om mee te produceren:
Land: alle natuurlijke bronnen van de aarde.
Arbeid: de fysieke en mentale menselijke inspanning in de productie (leraar, bankier).
Kapitaal: machines en structuren om producten en goederen te produceren.
Schaarste: beperkte omvang middelen samenleving, spanning tussen oneindige behoefte en beperkte
middelen, moeten middelen worden opgeofferd om product te maken.
10 principes van de economie:
How people make decisions (individueel beslissingen nemen).
De economie: alle productie en uitwisselingsactiviteiten die elke dag plaatsvinden.
1. People face trade-offs: keuzes, afwegingen maken is onvermijdelijk. Tussen efficiëntie en equity:
verdelen economische welvaart onder samenleving (aandeel bedrijf). Efficiëntie -> grote economie,
equity -> verdeling.
2. The cost of something is what you give up to get it: opportuniteitskosten: kosten van datgene wat je
opgeeft als je voor iets kiest.
3. Rational people think at the margin: kracht van marginalistisch denken, MO > MK. Mensen denken in
veranderingen, opbrengsten tegenover kosten.
4. People respond to incentives: mensen reageren op (veranderingen in) prikkels. Gedrag verandert als
kosten en opbrengsten veranderen. Subsidie op hybride auto’s -> meer vraag -> minder vervuilende
auto’s.
How people interact with each other.
5. Trade can make everyone better off: van (international) handel wordt iedereen beter. Niet winnaar en
verliezer, maar beide economieën kunnen er beter van worden. Door handel specialisatie. Veel import
-> meer export.
6. Markets are usually a good way to organize economic activity: vrije marktwerking leidt in het
algemeen tot goede economische resultaten. Communisme: overheid bepaalt productie goederen en
diensten, alleen overheid kon zorgen voor economisch welzijn voor land als geheel. Markteconomie:
beslissingen over productie zelf genomen, bedrijven en gezinnen werken samen op markten. Adam
Smith: individu eigen belang nastreven, door onzichtbare hand -> maximale welvaart.
7. Governments can sometimes improve market outcomes: de overheid moet soms in markten ingrijpen
bij marktfalen als gevolg van bijvoorbeeld marktmarkt of externe effecten. Overheid grijpt in om
economie te vergroten of verdeling te veranderen. Marktfalen: situatie waarin schaarse middelen niet
optimaal worden gebruikt. Externality: impact actie één persoon op welzijn anderen (vervuiling).
Marktmacht: macht van één persoon of bedrijf om de prijzen te beïnvloeden.
How the economy as a whole Works (macroeconomics).
Micro-economie: hoe nemen gezinnen en bedrijven beslissingen en werken ze samen. Macro-economie: hele
economische fenomeen, inflatie, werkloosheid, economische groei (toegenomen percentage aantal
geproduceerde goederen en diensten in een periode).
8. The standard of living depends on a country’s production: arbeidsproductiviteit bepaalt welvaart.
Bruto binnenlands product per hoofd: marktwaarde goederen en diensten geproduceerd in land in
bepaalde periode verdeeld over aantal inwoners. Standard of living: hoeveelheid goederen en
diensten die kunnen worden gekocht door bevolking land. Verandering levensstandaard door
verandering productiviteit: productie per werknemer per tijdseenheid. Hoge productiviteit -> hoge
welvaart.
, 9. Prices rise when the government prints too much money: langdurige of hoge inflatie (stijging
algemeen prijsniveau) ontstaat door stijging van het geldaanbod. Door geld bij te drukken, daalt
waarde geld.
10. Society faces a short-run trade-off between inflation and unemployment: op korte termijn afruil
tussen inflatie en werkloosheid. Als geldhoeveelheid stijgt is er (hoge) inflatie en op korte termijn lage
werkloosheid (niet sparen). Philips curve: laat korte termijn afruil zien tussen inflatie en werkloosheid.
Business cycle (conjunctuurcyclus): schommelingen in economische activiteit (werkloosheid,
productie).