Immunologie colleges
uitwerkingen
Inhoud
HC 1: Hoofdstuk 1&2..............................................................................................................................1
HC 2: Hoofdstuk 3 – Aangeboren immuunsysteem................................................................................8
HC 3: Hoofdstuk 4 – B-cellen en antilichamen......................................................................................13
HC 4: Hoofdstuk 5 – Antigeenherkenning door T-lymfocyten..............................................................16
HC 5: Hoofdstuk 6 – de ontwikkeling van B-lymfocyten.......................................................................19
HC 6: Hoofdstuk 7 – De ontwikkeling van T-lymfocyten.......................................................................23
HC 7: Hoofdstuk 8 – T cel gemedieerde immuniteit.............................................................................24
HC 8: Hoofdstuk 9 – B cel gemedieerde immuniteit en antilichamen..................................................26
HC 9: Mucosale weefsels (H10), Auto-immuunziekten (H16)...............................................................29
HC 10: Hoofdstuk 11 – Immunologisch geheugen en vaccinatie..........................................................34
HC 11: Hoofdstuk 14 – IgE gemedieerde immuniteit en allergie..........................................................37
HC 11: Hoofdstuk 17 – Het immuunsysteem en kanker.......................................................................39
Deeltentamen 1
HC 1: Hoofdstuk 1&2
Indeling college:
- H1: aangeboren immuunsysteem
- H1: adaptieve immuunsysteem
- H2/3: Complement systeem
Je hebt een immuunsysteem nodig om infectieziekten te overleven. Naast een virus zijn er meerdere
pathogenen; virussen, bacteriën, parasieten en schimmels. Sommige virussen zoals de waterpokken,
mazelen of rode hond kan je maar één keer krijgen. COVID-19 virus kan je wel meerdere keren
krijgen. Er zijn ook infectieziekten die dodelijk kunnen zijn, zoals polio, tetanus, kinkhoest, difterie, de
pest en ebola. Daar zijn vaccinaties voor, zodat je het niet kan krijgen. Daarmee kan je concluderen
dat het immuunsysteem een geheugen heeft. Het immuunsysteem weet al welke pathogenen het al
heeft gezien en hoe het deze aan kan pakken om niet ziek te worden.
Het immuunsysteem kan ook verstoord raken, bijvoorbeeld bij diabetes, MS en reuma. Dit worden
auto-immuunziekten genoemd; het immuunsysteem valt lichaamseigen stoffen aan. Ook allergieën
en hooikoorts zijn vormen van een verstoord immuunsysteem; hierbij wordt er een immuunrespons
geactiveerd tegen onschuldige moleculen. Het kan ook voorkomen bij tumoren, zoals kanker en
orgaantransplantaties. Bij kanker komt er geen immuunrespons, omdat kankercellen te veel op
normale cellen lijken.
,Het immuunsysteem heeft een balans tussen activatie en inactivatie (immuniteit vs tolerantie.
Wanneer moet het immuunsysteem aangezet worden of uitgeschakeld blijven? Dit is een actief
proces. Verder kan het immuunsysteem ook kunstmatig geholpen worden door vaccinaties of anti-
tumor therapie.
De verschillende soorten pathogenen (virussen, bacteriën, schimmels, parasieten) hebben ook
verschillende soorten verdedigingstechnieken nodig. Het is belangrijk om te weten waar het
pathogeen zit, namelijk intracellulair of extracellulair. Virussen zitten voornamelijk intracellulair en
bacteriën, schimmels en parasieten zitten extracellulair. Intracellulaire pathogenen worden
aangepakt door de geïnfecteerde cel te vernietigen, extracellulaire pathogenen worden
gefagocyteerd (opgegeten) door immuuncellen.
Verschillende soorten immuuncellen
Immuuncellen worden aangemaakt in het beenmerg (hematopoëtisch systeem). Dit zijn de
stamcellen en die kunnen delen en alle kanten op differentiëren; het worden lymphoïde cellen of
myeloïde cellen. de myeloïde kant worden granulocyten, rode bloedcellen en bloedplaatjes en
macrofagen. Lymfoïde cellen zijn cellen die mooi rond zijn met een grote celkern en weinig plasma.
Dit zijn de T-cellen, B-cellen en NK cellen.
,Er zijn 3 soorten granulocyten; neutrofielen, eosinofielen en basofielen. Deze worden ook wel
polymorf nucleaire granulocyten genoemd (betekend veelvormige kernen). Dit zie je ook in de
kernen van deze granulocyten. Neutrofielen zijn het meest aanwezig in je bloed. Dit zijn allemaal
cellen van het aangeboren immuunsysteem.
Het lichaam heeft barrières om pathogenen buiten het lichaam te houden. Het lichaam heeft 3
barrières:
1e barrière: huid, slijmvlies (neus, darmen en longen) en chemicaliën (speeksel, maagzuur).
De huid kan je niet zomaar binnenkomen, er zit een dikke laag dode cellen op. De mucosale weefsels
hebben maar één laagje epitheel voor goede diffusie van stoffen.
2e barrière: fagocytose en aangeboren immuunsysteem (lokaal, snel en niet specifiek).
Wanneer er pathogenen binnenkomen, zullen macrofagen de pathogenen opeten en cytokines
(signaaleiwitten) uitscheiden. De cytokines zorgen er voor dat er meer neutrofielen en vocht door
lekkende bloedvaten naar de plek gaan, wat leidt tot een ontstekingsreactie. Dit is te herkennen aan
calor, dolor, rubor en tumor (= warmte, pijn, roodheid, zwelling). Dit zijn de klassieke eigenschappen
van inflammatie. Neutrofielen zitten vooral in het beenmerg en door cytokines worden ze losgelaten
en komen ze naar de ontsteking toe. Neutrofielen zijn belangrijk voor extracellulaire infecties.
Neutrofielen kunnen snel delen, maar de cellen leven maar kort (1-2 dagen).
Cytokines en chemokinen zijn kleine eiwitten die uitgescheiden worden door cellen. immuuncellen
hebben receptoren voor deze eiwitten. Cytokines kunnen signalen autocrine (dezelfde cel) en
paracrine (andere cel) afgeven. Cytokines stimuleren cel differentiatie en activatie. Chemokinen
stimuleren migratie.
Het complement systeem is een onderdeel van het aangeboren immuunsysteem. Complement zijn
stukjes eiwitten die binden aan pathogenen en die gesplitst kunnen worden. Geactiveerd
complement (fragmenten) trekken fagocyten aan en kunnen herkend worden door de receptoren
van fagocyten. Herkenning, aantrekking van effectorcellen en directe eliminatie door fagocyten.
Herkenning van pathogenen door macrofagen leidt tot fagocytose, afbraak, activatie,
cytokineproductie en uitscheiding. NK cellen zijn wel belangrijk voor virale infecties, deze komen als
, eerste in actie. Geïnfecteerde cellen scheiden cytokines uit waar NK cellen op reageren. De NK cellen
zorgen er dan voor dat de geïnfecteerde cel gedood wordt.
Overzicht aangeboren immuunsysteem:
- Is aangeboren, gelijk voor iedereen en niet specifiek.
- Snelle reactie (minuten), snelle eliminatie van het pathogeen
- Heeft geen geheugen
- Bemiddeld door oplosbare factoren (complement) en cellen (granulocyten, macrofagen, NK
cellen, dendritische cellen)
- Begint lokaal in weefsels met als doel het pathogeen te herkennen, andere effectorcellen aan
te trekken die het pathogeen vernietigen en activatie van het adaptieve immuunsysteem.
3e barrière: lymfocyten en antilichamen (lymfoïde organen, langzaam, geheugen, specifiek).
Het adaptieve immuunsysteem is de 3e en laatste barrière in het lichaam. Het adaptieve
immuunsysteem wordt geactiveerd wanneer het aangeboren immuunsysteem faalt. Het adaptieve
immuunsysteem bestaat uit de T-cel en B-cel response. Het is niet makkelijk om het adaptieve
immuunsysteem te activeren en het is afhankelijk van lymfoïde organen. De primaire lymfoïde
organen produceren naïeve lymfocyten; het beenmerg produceert B-cellen, de thymus produceert T-
cellen. secundaire lymfoïde organen, zoals de lymfeknopen en milt, filteren het lymfevloeistof en
kunnen lymfocyten activeren.
Een eigenschap van het adaptieve immuunsysteem is dat elke B- en T-cel een unieke receptor heeft.
Deze receptoren kunnen antigenen binden.
De B-cellen en T-cellen worden aangemaakt in de primaire lymfoïde organen. Daarna worden de
naïeve (= nog nooit iets gezien) B en T-cellen losgelaten in het bloed en gaan ze van de ene naar de
andere lymfeknoop, ze circuleren tussen het bloed en secundaire lymfoïde organen. Ongeveer 99%
van deze cellen zal nooit iets vinden en doodgaan. Die andere 1% komt wel een pathogeen tegen dat
gepresenteerd wordt, waar ze met hun unieke receptor aan kunnen binden. Dit leidt to proliferatie
en deling van deze specifieke cel, die dan effectief worden tegen het pathogeen. De effectorcellen
zorgen er ook voor dat er geheugen aangemaakt wordt; er ontstaan memory B-cellen en memory T-
cellen. een lymfeknoop is de plek waar de B en T-cellen geactiveerd kunnen worden. In de
lymfeknoop heb je T-cel gebieden en B-cel gebieden, ze zitten apart van elkaar.
uitwerkingen
Inhoud
HC 1: Hoofdstuk 1&2..............................................................................................................................1
HC 2: Hoofdstuk 3 – Aangeboren immuunsysteem................................................................................8
HC 3: Hoofdstuk 4 – B-cellen en antilichamen......................................................................................13
HC 4: Hoofdstuk 5 – Antigeenherkenning door T-lymfocyten..............................................................16
HC 5: Hoofdstuk 6 – de ontwikkeling van B-lymfocyten.......................................................................19
HC 6: Hoofdstuk 7 – De ontwikkeling van T-lymfocyten.......................................................................23
HC 7: Hoofdstuk 8 – T cel gemedieerde immuniteit.............................................................................24
HC 8: Hoofdstuk 9 – B cel gemedieerde immuniteit en antilichamen..................................................26
HC 9: Mucosale weefsels (H10), Auto-immuunziekten (H16)...............................................................29
HC 10: Hoofdstuk 11 – Immunologisch geheugen en vaccinatie..........................................................34
HC 11: Hoofdstuk 14 – IgE gemedieerde immuniteit en allergie..........................................................37
HC 11: Hoofdstuk 17 – Het immuunsysteem en kanker.......................................................................39
Deeltentamen 1
HC 1: Hoofdstuk 1&2
Indeling college:
- H1: aangeboren immuunsysteem
- H1: adaptieve immuunsysteem
- H2/3: Complement systeem
Je hebt een immuunsysteem nodig om infectieziekten te overleven. Naast een virus zijn er meerdere
pathogenen; virussen, bacteriën, parasieten en schimmels. Sommige virussen zoals de waterpokken,
mazelen of rode hond kan je maar één keer krijgen. COVID-19 virus kan je wel meerdere keren
krijgen. Er zijn ook infectieziekten die dodelijk kunnen zijn, zoals polio, tetanus, kinkhoest, difterie, de
pest en ebola. Daar zijn vaccinaties voor, zodat je het niet kan krijgen. Daarmee kan je concluderen
dat het immuunsysteem een geheugen heeft. Het immuunsysteem weet al welke pathogenen het al
heeft gezien en hoe het deze aan kan pakken om niet ziek te worden.
Het immuunsysteem kan ook verstoord raken, bijvoorbeeld bij diabetes, MS en reuma. Dit worden
auto-immuunziekten genoemd; het immuunsysteem valt lichaamseigen stoffen aan. Ook allergieën
en hooikoorts zijn vormen van een verstoord immuunsysteem; hierbij wordt er een immuunrespons
geactiveerd tegen onschuldige moleculen. Het kan ook voorkomen bij tumoren, zoals kanker en
orgaantransplantaties. Bij kanker komt er geen immuunrespons, omdat kankercellen te veel op
normale cellen lijken.
,Het immuunsysteem heeft een balans tussen activatie en inactivatie (immuniteit vs tolerantie.
Wanneer moet het immuunsysteem aangezet worden of uitgeschakeld blijven? Dit is een actief
proces. Verder kan het immuunsysteem ook kunstmatig geholpen worden door vaccinaties of anti-
tumor therapie.
De verschillende soorten pathogenen (virussen, bacteriën, schimmels, parasieten) hebben ook
verschillende soorten verdedigingstechnieken nodig. Het is belangrijk om te weten waar het
pathogeen zit, namelijk intracellulair of extracellulair. Virussen zitten voornamelijk intracellulair en
bacteriën, schimmels en parasieten zitten extracellulair. Intracellulaire pathogenen worden
aangepakt door de geïnfecteerde cel te vernietigen, extracellulaire pathogenen worden
gefagocyteerd (opgegeten) door immuuncellen.
Verschillende soorten immuuncellen
Immuuncellen worden aangemaakt in het beenmerg (hematopoëtisch systeem). Dit zijn de
stamcellen en die kunnen delen en alle kanten op differentiëren; het worden lymphoïde cellen of
myeloïde cellen. de myeloïde kant worden granulocyten, rode bloedcellen en bloedplaatjes en
macrofagen. Lymfoïde cellen zijn cellen die mooi rond zijn met een grote celkern en weinig plasma.
Dit zijn de T-cellen, B-cellen en NK cellen.
,Er zijn 3 soorten granulocyten; neutrofielen, eosinofielen en basofielen. Deze worden ook wel
polymorf nucleaire granulocyten genoemd (betekend veelvormige kernen). Dit zie je ook in de
kernen van deze granulocyten. Neutrofielen zijn het meest aanwezig in je bloed. Dit zijn allemaal
cellen van het aangeboren immuunsysteem.
Het lichaam heeft barrières om pathogenen buiten het lichaam te houden. Het lichaam heeft 3
barrières:
1e barrière: huid, slijmvlies (neus, darmen en longen) en chemicaliën (speeksel, maagzuur).
De huid kan je niet zomaar binnenkomen, er zit een dikke laag dode cellen op. De mucosale weefsels
hebben maar één laagje epitheel voor goede diffusie van stoffen.
2e barrière: fagocytose en aangeboren immuunsysteem (lokaal, snel en niet specifiek).
Wanneer er pathogenen binnenkomen, zullen macrofagen de pathogenen opeten en cytokines
(signaaleiwitten) uitscheiden. De cytokines zorgen er voor dat er meer neutrofielen en vocht door
lekkende bloedvaten naar de plek gaan, wat leidt tot een ontstekingsreactie. Dit is te herkennen aan
calor, dolor, rubor en tumor (= warmte, pijn, roodheid, zwelling). Dit zijn de klassieke eigenschappen
van inflammatie. Neutrofielen zitten vooral in het beenmerg en door cytokines worden ze losgelaten
en komen ze naar de ontsteking toe. Neutrofielen zijn belangrijk voor extracellulaire infecties.
Neutrofielen kunnen snel delen, maar de cellen leven maar kort (1-2 dagen).
Cytokines en chemokinen zijn kleine eiwitten die uitgescheiden worden door cellen. immuuncellen
hebben receptoren voor deze eiwitten. Cytokines kunnen signalen autocrine (dezelfde cel) en
paracrine (andere cel) afgeven. Cytokines stimuleren cel differentiatie en activatie. Chemokinen
stimuleren migratie.
Het complement systeem is een onderdeel van het aangeboren immuunsysteem. Complement zijn
stukjes eiwitten die binden aan pathogenen en die gesplitst kunnen worden. Geactiveerd
complement (fragmenten) trekken fagocyten aan en kunnen herkend worden door de receptoren
van fagocyten. Herkenning, aantrekking van effectorcellen en directe eliminatie door fagocyten.
Herkenning van pathogenen door macrofagen leidt tot fagocytose, afbraak, activatie,
cytokineproductie en uitscheiding. NK cellen zijn wel belangrijk voor virale infecties, deze komen als
, eerste in actie. Geïnfecteerde cellen scheiden cytokines uit waar NK cellen op reageren. De NK cellen
zorgen er dan voor dat de geïnfecteerde cel gedood wordt.
Overzicht aangeboren immuunsysteem:
- Is aangeboren, gelijk voor iedereen en niet specifiek.
- Snelle reactie (minuten), snelle eliminatie van het pathogeen
- Heeft geen geheugen
- Bemiddeld door oplosbare factoren (complement) en cellen (granulocyten, macrofagen, NK
cellen, dendritische cellen)
- Begint lokaal in weefsels met als doel het pathogeen te herkennen, andere effectorcellen aan
te trekken die het pathogeen vernietigen en activatie van het adaptieve immuunsysteem.
3e barrière: lymfocyten en antilichamen (lymfoïde organen, langzaam, geheugen, specifiek).
Het adaptieve immuunsysteem is de 3e en laatste barrière in het lichaam. Het adaptieve
immuunsysteem wordt geactiveerd wanneer het aangeboren immuunsysteem faalt. Het adaptieve
immuunsysteem bestaat uit de T-cel en B-cel response. Het is niet makkelijk om het adaptieve
immuunsysteem te activeren en het is afhankelijk van lymfoïde organen. De primaire lymfoïde
organen produceren naïeve lymfocyten; het beenmerg produceert B-cellen, de thymus produceert T-
cellen. secundaire lymfoïde organen, zoals de lymfeknopen en milt, filteren het lymfevloeistof en
kunnen lymfocyten activeren.
Een eigenschap van het adaptieve immuunsysteem is dat elke B- en T-cel een unieke receptor heeft.
Deze receptoren kunnen antigenen binden.
De B-cellen en T-cellen worden aangemaakt in de primaire lymfoïde organen. Daarna worden de
naïeve (= nog nooit iets gezien) B en T-cellen losgelaten in het bloed en gaan ze van de ene naar de
andere lymfeknoop, ze circuleren tussen het bloed en secundaire lymfoïde organen. Ongeveer 99%
van deze cellen zal nooit iets vinden en doodgaan. Die andere 1% komt wel een pathogeen tegen dat
gepresenteerd wordt, waar ze met hun unieke receptor aan kunnen binden. Dit leidt to proliferatie
en deling van deze specifieke cel, die dan effectief worden tegen het pathogeen. De effectorcellen
zorgen er ook voor dat er geheugen aangemaakt wordt; er ontstaan memory B-cellen en memory T-
cellen. een lymfeknoop is de plek waar de B en T-cellen geactiveerd kunnen worden. In de
lymfeknoop heb je T-cel gebieden en B-cel gebieden, ze zitten apart van elkaar.