Biomedisch 1.1
Inhoud
College 1: anatomie & fysiologische circulatie (1) ................................................................... 1
De bloedvaten ........................................................................................................................... 1
Het hart ........................................................................................................................................ 6
College 2: Anatomie en fysiologie circulatie (2) ..................................................................... 12
De bloeddruk ............................................................................................................................ 12
Capillaire uitwisseling ............................................................................................................... 19
College 3: anatomie en fysiologische circulatie (3)................................................................ 24
Bloed .......................................................................................................................................... 24
Bloedstolling & DVT ................................................................................................................... 31
College 4: Pathologie circulatie (1) ........................................................................................... 36
College 5: pathologie circulatie (2) .......................................................................................... 43
College 6: Anatomie, fysiologie en pathologie thermoregulatie ......................................... 50
College 1: anatomie & fysiologische circulatie (1)
De bloedvaten
De functies en het verloop van de kleine en grote circulatie
,Kleine bloedsomloop:
- Longcirculatie/ pulmonale circulatie
- Uitwisseling van zuurstof en kooldioxide
met de longen.
- Bestaat uit de longarteriën,
longcapillairen en de longvenen.
Zuurstofrijke bloed komt uiteindelijk weer terug in
de linkerzijde van het hart en wordt via de
systemische circulatie/ grote bloedsomloop naar
de weefsels vervoerd.
Grote bloedsomloop:
- Systemische circulatie
- Organen/ weefsels voorzien van zuurstof
en voeding en afvoer van kooldioxide en afvalstoffen.
- Bloed gaat vanuit de linkerharthelft via de aorta de grote bloedsomloop in.
- Verbruikte zuurstof komt via vena cava inferior en vena cava superior terug in de
rechter harthelft.
Links = Lichaam. (linker harthelft gaat naar het lichaam)
Verschillen tussen arteriën, venen en capillairen
5 typen bloedvaten:
- Arteriën
- Arteriolen
- Capillairen
- Venulen
- venen
,Arteriën worden ook wel de slagaders genoemd. Ze voeren het bloed van het hart af
naar de weefsels toe. Druk en snelheid van het bloed is nog erg hoog. Arteriën moeten
hierdoor sterke en gespierde vaatwanden hebben.
Grootste arteriën zijn de longslagaders en de aorta. Deze vertakken in kleinere arteriën
en uiteindelijk in arteriolen.
Arteriolen hebben een kleinere diameter dan de arteriën. Ze bevatten ook glad
spierweefsel waarmee ze kunnen uitzetten en samenknijpen. Hierdoor zijn ze in staat om
de bloedtoevoer naar de organen en weefsels te reguleren afhankelijk van de behoefte
van de weefsels op dat moment.
De capillairen zijn de kleine haarvaatjes. Ze vormen een groot netwerk in weefsels en
organen. Ze bestaan maar uit één laag cellen, om hun functie zo optimaal mogelijk uit
te kunnen voeren. Ze zorgen voor uitwisseling van voedingsstoffen, zuurstof, maar CO2
en afvalstoffen tussen bloed en de weefsels.
, Na de uitwisseling komen we uit bij de venulen. Dit zijn de kleine venen, waardoor heen
het zuurstofarme bloed met afvalstoffen en CO2 stroomt richting het hart.
Deze monden weer uit in grotere venen. De venen vormen een reservoir voor bloed. 60-
65% van het bloed verzamelt zich in de venen. De bloeddruk is hier een stuk lager en de
stroomsnelheid ook. De vaatwanden zijn hierom een stuk dunner dan die van de
arteriën.
Opbouw van de vaten
Capillairen en soms kleine venulen bestaan maar uit één laag. Dit is de binnenste laag
die alle vaten hebben: het endotheel.
Het endotheel is onderdeel van de binnenste vaatwand (= tunica intima).
Tunica intima is belangrijk voor het door kunnen laten van opgeloste stoffen en
uitscheiding van stoffen die ervoor kunnen zorgen dat vaten samenknijpen of juist
uitzetten.
Endotheellaag is een hele gladde laag, het moet wrijvingloos zijn voor bloedcellen.
Zodat bloedcellen niet kunnen blijven plakken en bloedstolsels kunnen veroorzaken.
Bij ziektes zoals Diabetes Mellitus en bij mensen die veelvuldig roken raakt de
endotheellaag aangetast. Het is dan geen gladde laag meer, we zien dan vaker dat
bloedcellen blijven plakken en is er een grotere kans op trombosevorming.
De middelste laag is de tunica media. Deze zit niet in de venule en capillairen, maar wel
in de andere vaten.
Tunica media bestaat uit elastisch bindweefsel, dit zorgt voor de rekbaarheid van de
vaatwand en uit glad spierweefsel wat ervoor zorgt dat vaten kunnen samenknijpen en
uit kunnen zetten.
De tunica externa of de tunica adventitia is de buitenste laag. Deze bestaat uit losmazig
bindweefsel en hier zitten bloedvaten in die voor de bloedvoorziening van de
bloedvaten zelf zorgen. Het is ook verantwoordelijk voor de versteviging van de
Inhoud
College 1: anatomie & fysiologische circulatie (1) ................................................................... 1
De bloedvaten ........................................................................................................................... 1
Het hart ........................................................................................................................................ 6
College 2: Anatomie en fysiologie circulatie (2) ..................................................................... 12
De bloeddruk ............................................................................................................................ 12
Capillaire uitwisseling ............................................................................................................... 19
College 3: anatomie en fysiologische circulatie (3)................................................................ 24
Bloed .......................................................................................................................................... 24
Bloedstolling & DVT ................................................................................................................... 31
College 4: Pathologie circulatie (1) ........................................................................................... 36
College 5: pathologie circulatie (2) .......................................................................................... 43
College 6: Anatomie, fysiologie en pathologie thermoregulatie ......................................... 50
College 1: anatomie & fysiologische circulatie (1)
De bloedvaten
De functies en het verloop van de kleine en grote circulatie
,Kleine bloedsomloop:
- Longcirculatie/ pulmonale circulatie
- Uitwisseling van zuurstof en kooldioxide
met de longen.
- Bestaat uit de longarteriën,
longcapillairen en de longvenen.
Zuurstofrijke bloed komt uiteindelijk weer terug in
de linkerzijde van het hart en wordt via de
systemische circulatie/ grote bloedsomloop naar
de weefsels vervoerd.
Grote bloedsomloop:
- Systemische circulatie
- Organen/ weefsels voorzien van zuurstof
en voeding en afvoer van kooldioxide en afvalstoffen.
- Bloed gaat vanuit de linkerharthelft via de aorta de grote bloedsomloop in.
- Verbruikte zuurstof komt via vena cava inferior en vena cava superior terug in de
rechter harthelft.
Links = Lichaam. (linker harthelft gaat naar het lichaam)
Verschillen tussen arteriën, venen en capillairen
5 typen bloedvaten:
- Arteriën
- Arteriolen
- Capillairen
- Venulen
- venen
,Arteriën worden ook wel de slagaders genoemd. Ze voeren het bloed van het hart af
naar de weefsels toe. Druk en snelheid van het bloed is nog erg hoog. Arteriën moeten
hierdoor sterke en gespierde vaatwanden hebben.
Grootste arteriën zijn de longslagaders en de aorta. Deze vertakken in kleinere arteriën
en uiteindelijk in arteriolen.
Arteriolen hebben een kleinere diameter dan de arteriën. Ze bevatten ook glad
spierweefsel waarmee ze kunnen uitzetten en samenknijpen. Hierdoor zijn ze in staat om
de bloedtoevoer naar de organen en weefsels te reguleren afhankelijk van de behoefte
van de weefsels op dat moment.
De capillairen zijn de kleine haarvaatjes. Ze vormen een groot netwerk in weefsels en
organen. Ze bestaan maar uit één laag cellen, om hun functie zo optimaal mogelijk uit
te kunnen voeren. Ze zorgen voor uitwisseling van voedingsstoffen, zuurstof, maar CO2
en afvalstoffen tussen bloed en de weefsels.
, Na de uitwisseling komen we uit bij de venulen. Dit zijn de kleine venen, waardoor heen
het zuurstofarme bloed met afvalstoffen en CO2 stroomt richting het hart.
Deze monden weer uit in grotere venen. De venen vormen een reservoir voor bloed. 60-
65% van het bloed verzamelt zich in de venen. De bloeddruk is hier een stuk lager en de
stroomsnelheid ook. De vaatwanden zijn hierom een stuk dunner dan die van de
arteriën.
Opbouw van de vaten
Capillairen en soms kleine venulen bestaan maar uit één laag. Dit is de binnenste laag
die alle vaten hebben: het endotheel.
Het endotheel is onderdeel van de binnenste vaatwand (= tunica intima).
Tunica intima is belangrijk voor het door kunnen laten van opgeloste stoffen en
uitscheiding van stoffen die ervoor kunnen zorgen dat vaten samenknijpen of juist
uitzetten.
Endotheellaag is een hele gladde laag, het moet wrijvingloos zijn voor bloedcellen.
Zodat bloedcellen niet kunnen blijven plakken en bloedstolsels kunnen veroorzaken.
Bij ziektes zoals Diabetes Mellitus en bij mensen die veelvuldig roken raakt de
endotheellaag aangetast. Het is dan geen gladde laag meer, we zien dan vaker dat
bloedcellen blijven plakken en is er een grotere kans op trombosevorming.
De middelste laag is de tunica media. Deze zit niet in de venule en capillairen, maar wel
in de andere vaten.
Tunica media bestaat uit elastisch bindweefsel, dit zorgt voor de rekbaarheid van de
vaatwand en uit glad spierweefsel wat ervoor zorgt dat vaten kunnen samenknijpen en
uit kunnen zetten.
De tunica externa of de tunica adventitia is de buitenste laag. Deze bestaat uit losmazig
bindweefsel en hier zitten bloedvaten in die voor de bloedvoorziening van de
bloedvaten zelf zorgen. Het is ook verantwoordelijk voor de versteviging van de