Klassieke Oudheid
Grieken
Godsdienst erg belangrijk (polytheïstisch)
Periodes:
Archaïsche periode: 800 – 480 v. Chr.
Klassieke periode: 480 – 330 v. Chr.
Hellenistische periode: 330 – 30 v. Chr.
Schilderkunst (vaasschilderkunst):
Zwartfigurige techniek: figuren werden met kleiverf geschilderd + details werden met scherp voorwerp gekrast.
Roodfigurige techniek: achtergrond werd geschilderd + details met fijne penseeltjes.
Beeldhouwkunst:
Onderwerpen: helden, goden, grafbeelden, wijgeschenken.
Functie: verfraaiing
Archaïsche periode:
- Staande jongen (Kouros) + jonge vrouw (Korè)
- Strak, symmetrisch, bewegingloos, Archaïsche glimlach, frontaal aanzicht, statisch.
Klassieke periode:
- Beweeglijker, gekleed, brons gegoten, weinig expressieve gezichtsuitdrukking, ‘contra posto’, gedraaid
hoofd, kennis anatomie.
Hellenistische periode:
- Idealisme evolueerde naar naturalisme, beweeglijk, uitdrukking emoties, naakte vrouwen.
- Theatrale kunst
Architectuur:
Harmonie en evenwicht door volmaakte vormen en verhoudingen.
Perfecte orde en maat.
- De Gulden snede = verdeling van lijnstuk in twee delen in een speciale verhouding (gulden getal = 𝛗)
Tempelbouw
Architraafbouw:
- Dorische orde
- Ionische orde
- Korinthische orde
Perspectivische correcties
Etrusken
Periodes:
Aristocratische periode: 700 – 450 v. Chr.
Rustieke periode: 450 – 90 v. Chr.
, Romeinen
Begin republiek: 509 – 313 v. Chr. (edict van Milaan, Christendom officieel)
Kunst werd realistischer
Schilderkunst:
Decoratieve schilderingen (muurschilderingen = fresco)
Mozaïek
Onderwerpen: landschappen, mythologische voorstellingen.
Beeldhouwkunst:
Geïnspireerd op Hellenistische periode.
Realisme
Portretbeeld stelde persoon voor in zijn functie of in relatie tot gemeenschap.
Historische reliëfs (op triomfbogen, gedenkzuilen, monumenten, sacrofagen)
Drukte romeins gevoel voor werkelijkheid, historie en politiek uit in beeldverhaal.
Architectuur:
Praktische bouwers: wegen, tempelbouw, openbare gebouwen, technische bouw (vondsten)
Toscaanse stijl = variant op Dorische stijl.
Compositie stijl = combinatie van Ionische en Korinthische stijl.
Rondboog en gewelven
Machtsvertoon
Verschil architectuur Grieken en Romeinen
Griekse bouwheer:
Heeft naamsbekendheid (individu staat voorop);
Is beeldhouwer;
Opdrachtgever is de gemeenschap;
Klemtoon ligt op buitenkant: harmonie.
Romeinse bouwheer:
Schept ruimte waar beeldhouwwerk in is opgenomen;
Kunstenaar is onbekend (gemeenschap staat voorop);
Opdrachtgever is belangrijk + geeft naam;
Klemtoon ligt op binnenkant: weelde.
Grieken
Godsdienst erg belangrijk (polytheïstisch)
Periodes:
Archaïsche periode: 800 – 480 v. Chr.
Klassieke periode: 480 – 330 v. Chr.
Hellenistische periode: 330 – 30 v. Chr.
Schilderkunst (vaasschilderkunst):
Zwartfigurige techniek: figuren werden met kleiverf geschilderd + details werden met scherp voorwerp gekrast.
Roodfigurige techniek: achtergrond werd geschilderd + details met fijne penseeltjes.
Beeldhouwkunst:
Onderwerpen: helden, goden, grafbeelden, wijgeschenken.
Functie: verfraaiing
Archaïsche periode:
- Staande jongen (Kouros) + jonge vrouw (Korè)
- Strak, symmetrisch, bewegingloos, Archaïsche glimlach, frontaal aanzicht, statisch.
Klassieke periode:
- Beweeglijker, gekleed, brons gegoten, weinig expressieve gezichtsuitdrukking, ‘contra posto’, gedraaid
hoofd, kennis anatomie.
Hellenistische periode:
- Idealisme evolueerde naar naturalisme, beweeglijk, uitdrukking emoties, naakte vrouwen.
- Theatrale kunst
Architectuur:
Harmonie en evenwicht door volmaakte vormen en verhoudingen.
Perfecte orde en maat.
- De Gulden snede = verdeling van lijnstuk in twee delen in een speciale verhouding (gulden getal = 𝛗)
Tempelbouw
Architraafbouw:
- Dorische orde
- Ionische orde
- Korinthische orde
Perspectivische correcties
Etrusken
Periodes:
Aristocratische periode: 700 – 450 v. Chr.
Rustieke periode: 450 – 90 v. Chr.
, Romeinen
Begin republiek: 509 – 313 v. Chr. (edict van Milaan, Christendom officieel)
Kunst werd realistischer
Schilderkunst:
Decoratieve schilderingen (muurschilderingen = fresco)
Mozaïek
Onderwerpen: landschappen, mythologische voorstellingen.
Beeldhouwkunst:
Geïnspireerd op Hellenistische periode.
Realisme
Portretbeeld stelde persoon voor in zijn functie of in relatie tot gemeenschap.
Historische reliëfs (op triomfbogen, gedenkzuilen, monumenten, sacrofagen)
Drukte romeins gevoel voor werkelijkheid, historie en politiek uit in beeldverhaal.
Architectuur:
Praktische bouwers: wegen, tempelbouw, openbare gebouwen, technische bouw (vondsten)
Toscaanse stijl = variant op Dorische stijl.
Compositie stijl = combinatie van Ionische en Korinthische stijl.
Rondboog en gewelven
Machtsvertoon
Verschil architectuur Grieken en Romeinen
Griekse bouwheer:
Heeft naamsbekendheid (individu staat voorop);
Is beeldhouwer;
Opdrachtgever is de gemeenschap;
Klemtoon ligt op buitenkant: harmonie.
Romeinse bouwheer:
Schept ruimte waar beeldhouwwerk in is opgenomen;
Kunstenaar is onbekend (gemeenschap staat voorop);
Opdrachtgever is belangrijk + geeft naam;
Klemtoon ligt op binnenkant: weelde.