Samenvatting geschiedenis hoofdstuk 8
Paragraaf 8.1
Leerdoelen
Wat zijn de sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen die plaatsvonden tijdens de overgang
van de landbouw stedelijke samenleving naar de industriële samenleving?
Hoe veranderde de verhouding tussen koloniën en Europese moederlanden onder invloed
van de industriële revolutie?
Welke politieke, ideologische en economische motieven speelden een rol in het modern
imperialisme?
Op welke wijze gebruikte de Belgische koning Leopold II zijn kolonie in Afrika als persoonlijk
windgewest? (voorbeeld van modern imperialisme)
Hoe gaf Nederland vorm in Nederlands-Indië aan het modern imperialisme?
Begrippen:
Huisnijverheid: Producten thuis maken. Wanneer boeren tijd over hadden spinden ze
bijvoorbeeld wol.
Industriële revolutie: Overgang van landbouw samenleving naar industriële samenleving.
Van werken in huis naar werken in grote fabrieken met machines.
Urbanisatie: verstedelijking.
Industriële samenleving: De meerderheid van de mensen van de samenleving werkt in
fabrieken en woont in steden.
Industrieel kapitalisme: Ondernemers die streven naar zoveel mogelijk winst maken door
middel van fabrieksmatig producten produceren.
Modern imperialisme: De West-Europese landen die vanaf ongeveer 1850 streefden naar
het bezit van zoveel mogelijk koloniale gebieden.
Nationalisme: Trots van mensen op eigen land, volk en cultuur.
Sociaal-darwinisme: Bevindingen van Darwins evolutietheorie worden toegepast op de
maatschappij. (In de tweede helft van de 19e eeuw)
, Samenvatting:
De industrie is begonnen op het platteland van Engeland en Schotland. Geleidelijk aan kwam
er steeds meer landbouwgrond in het bezit van grootgrondbezitters, op dit land werkten
pachtboeren die deze grond bewerkten. Door de nieuwe technieken was het niet meer net
genoeg voedsel en begonnen er juist overschotten te ontstaan. Zo was er weinig honger en
werden de mensen ook ouder. Doordat er meer voedsel werd geproduceerd gingen de
voedselprijzen omlaag, hierdoor werd de huisnijverheid wat eerst een beetje extra was nu
de noodzaak om jezelf te kunnen blijven onderhouden.
In de 18e eeuw had Groot-Brittannië een economische voorsprong op de rest van de
wereld, de koloniën van het land leverden veel op en de handel was heel winstgevend. Er
kwam meer aandacht voor het maken van ontwikkelingen en experimenteren. Het is dan
ook niet gek dat de industriële revolutie begon in G-B. Voor het weven en spinnen van wol
werd de schietspoel bedacht. Ook werden er manieren bedacht waardoor machines niet
meer met spierkracht maar met bijvoorbeeld waterkracht werden aangedreven. De nieuwe
ontwikkelingen waren alleen wel erg duur en waren dus eigenlijk alleen maar aanschaf baar
voor de economische elite. Omdat er wel mensen nodig waren in de fabrieken werd de
urbanisatie alleen maar groter en ontstond de industriële samenleving.
De industrialisatie verspreide zich in de 18e en 19e eeuw verder over Europa en Noord-
Amerika. Industrieel kapitalisme was groot. De transportmogelijkheden verbeterden en
daardoor werd de uitwisseling van goederen en grondstoffen makkelijker. Ook werd Afrika
verder ontdekt en werd Afrika in hoog tempo gekoloniseerd (Afrika had veel grondstoffen
zoals olie, rubber, goud en diamanten). Maar om conflicten te voorkomen besloten de
landen in 1885 in Berlijn bij elkaar te komen en werd Afrika onderling verdeeld. Er werd
hierbij geen rekening gehouden met de verschillende Afrikaanse stammen.
De economie van de koloniale gebieden was volledig in handen van het moederland, ook
besloot het moederland de regels en wetten en de inheemse bevolking moest zich daaraan
houden. Er bloeide veel nationalisme op, dit was in combinatie met het modern
imperialisme: Hoe meer koloniaal gebied een land had, hoe meer macht en aanzien.
Sociaal-darwinisme hielp ook mee aan de vanzelfsprekendheid waarmee Europese landen
koloniale gebieden veroverden en de bevolking ervan onderdrukten. Toen Charles Darwin in
1859 zijn evolutietheorie publiceerde, pasten enkele denkers conclusies eruit op de relatie
tussen groepen mensen toe. Dit associeerden ze dat de inheemse bevolking verplicht was te
luisteren.
Nederland deed niet mee aan de race om Afrika maar deed wel aan modern imperialisme.
In Nederlands-Indië, dat al sinds 1816 zo heette, kwamen steeds meer gebieden in handen
van Nederland. Nederland stelde het cultuurstelsel in in Java waar boeren 20% van hun
grond moesten gebruiken om producten voor de Nederlanders te kweken en kregen daar
een lage plantloon voor. De inheemse leiders wouden er alleen wel wat voor terug,
Nederland gaf hun daarom een positie in het regeren. Eduard Douwes Dekker (Multatuli)
schreef zijn boek Max Havelaar over de slechte omstandigheden van de boeren. Het doel
Paragraaf 8.1
Leerdoelen
Wat zijn de sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen die plaatsvonden tijdens de overgang
van de landbouw stedelijke samenleving naar de industriële samenleving?
Hoe veranderde de verhouding tussen koloniën en Europese moederlanden onder invloed
van de industriële revolutie?
Welke politieke, ideologische en economische motieven speelden een rol in het modern
imperialisme?
Op welke wijze gebruikte de Belgische koning Leopold II zijn kolonie in Afrika als persoonlijk
windgewest? (voorbeeld van modern imperialisme)
Hoe gaf Nederland vorm in Nederlands-Indië aan het modern imperialisme?
Begrippen:
Huisnijverheid: Producten thuis maken. Wanneer boeren tijd over hadden spinden ze
bijvoorbeeld wol.
Industriële revolutie: Overgang van landbouw samenleving naar industriële samenleving.
Van werken in huis naar werken in grote fabrieken met machines.
Urbanisatie: verstedelijking.
Industriële samenleving: De meerderheid van de mensen van de samenleving werkt in
fabrieken en woont in steden.
Industrieel kapitalisme: Ondernemers die streven naar zoveel mogelijk winst maken door
middel van fabrieksmatig producten produceren.
Modern imperialisme: De West-Europese landen die vanaf ongeveer 1850 streefden naar
het bezit van zoveel mogelijk koloniale gebieden.
Nationalisme: Trots van mensen op eigen land, volk en cultuur.
Sociaal-darwinisme: Bevindingen van Darwins evolutietheorie worden toegepast op de
maatschappij. (In de tweede helft van de 19e eeuw)
, Samenvatting:
De industrie is begonnen op het platteland van Engeland en Schotland. Geleidelijk aan kwam
er steeds meer landbouwgrond in het bezit van grootgrondbezitters, op dit land werkten
pachtboeren die deze grond bewerkten. Door de nieuwe technieken was het niet meer net
genoeg voedsel en begonnen er juist overschotten te ontstaan. Zo was er weinig honger en
werden de mensen ook ouder. Doordat er meer voedsel werd geproduceerd gingen de
voedselprijzen omlaag, hierdoor werd de huisnijverheid wat eerst een beetje extra was nu
de noodzaak om jezelf te kunnen blijven onderhouden.
In de 18e eeuw had Groot-Brittannië een economische voorsprong op de rest van de
wereld, de koloniën van het land leverden veel op en de handel was heel winstgevend. Er
kwam meer aandacht voor het maken van ontwikkelingen en experimenteren. Het is dan
ook niet gek dat de industriële revolutie begon in G-B. Voor het weven en spinnen van wol
werd de schietspoel bedacht. Ook werden er manieren bedacht waardoor machines niet
meer met spierkracht maar met bijvoorbeeld waterkracht werden aangedreven. De nieuwe
ontwikkelingen waren alleen wel erg duur en waren dus eigenlijk alleen maar aanschaf baar
voor de economische elite. Omdat er wel mensen nodig waren in de fabrieken werd de
urbanisatie alleen maar groter en ontstond de industriële samenleving.
De industrialisatie verspreide zich in de 18e en 19e eeuw verder over Europa en Noord-
Amerika. Industrieel kapitalisme was groot. De transportmogelijkheden verbeterden en
daardoor werd de uitwisseling van goederen en grondstoffen makkelijker. Ook werd Afrika
verder ontdekt en werd Afrika in hoog tempo gekoloniseerd (Afrika had veel grondstoffen
zoals olie, rubber, goud en diamanten). Maar om conflicten te voorkomen besloten de
landen in 1885 in Berlijn bij elkaar te komen en werd Afrika onderling verdeeld. Er werd
hierbij geen rekening gehouden met de verschillende Afrikaanse stammen.
De economie van de koloniale gebieden was volledig in handen van het moederland, ook
besloot het moederland de regels en wetten en de inheemse bevolking moest zich daaraan
houden. Er bloeide veel nationalisme op, dit was in combinatie met het modern
imperialisme: Hoe meer koloniaal gebied een land had, hoe meer macht en aanzien.
Sociaal-darwinisme hielp ook mee aan de vanzelfsprekendheid waarmee Europese landen
koloniale gebieden veroverden en de bevolking ervan onderdrukten. Toen Charles Darwin in
1859 zijn evolutietheorie publiceerde, pasten enkele denkers conclusies eruit op de relatie
tussen groepen mensen toe. Dit associeerden ze dat de inheemse bevolking verplicht was te
luisteren.
Nederland deed niet mee aan de race om Afrika maar deed wel aan modern imperialisme.
In Nederlands-Indië, dat al sinds 1816 zo heette, kwamen steeds meer gebieden in handen
van Nederland. Nederland stelde het cultuurstelsel in in Java waar boeren 20% van hun
grond moesten gebruiken om producten voor de Nederlanders te kweken en kregen daar
een lage plantloon voor. De inheemse leiders wouden er alleen wel wat voor terug,
Nederland gaf hun daarom een positie in het regeren. Eduard Douwes Dekker (Multatuli)
schreef zijn boek Max Havelaar over de slechte omstandigheden van de boeren. Het doel