Frits Goossens, Marjolijn Vermande en Matty van der Meulen
Hoofdstuk 1 Pesten, definitie, sekseverschillen, prevalentie,
verloop en consequenties
Pesten: een leerling wordt gepest of tot slachtoffer gemaakt wanneer hij of zij bij
herhaling wordt onderworpen aan de negatieve handelingen van een of meer
medeleerlingen. Daarbij is pesten intentioneel en is er een verschil in macht
tussen dader en slachtoffer.
Drie basale kenmerken van pesten:
- De dader heeft bedoeling leed te berokkenen
- Het pesten vindt herhaaldelijk en over een langere periode plaats
- Er is een machtsverschil
Het komt vooral voor in kleinere groepen.
Soorten pesten:
- Fysiek pesten (schoppen)
- Verbaal pesten (schelden)
- Materieel pesten (afpakken)
- Heimelijk pesten (roddelen, buiten sluiten)
- Cyberpesten (digitaal pesten)
- Racistisch pesten (opmerkingen over ras)
- Seksueel pesten (seksueel getinte opmerkingen)
Jongens pesten vaker dan meisjes, en vaker agressief. Jongens pesten op veel
manieren (direct). Meisjes vaak op alleen de sociale manier (indirect). Dit verschil
in pesten komt deels door het verschil in hormoonhuishouding. Jongens pesten
ook vaak meisjes, maar jongens en meisjes worden even vaak gepest.
Cijfers over prevalentie (hoe vaak komt het voor) kunnen sterk uiteenlopen,
omdat het afhangt van de manier waarop het gemeten wordt. Wat we ongeveer
weten:
- 10% is actief aan het pesten
- 15% is slachtoffer (2 á 3 keer per maand)
Een grootschalige studie leverde de volgende cijfers op:
- 10,7% erkende één of meer andere kinderen te pesten
- 12,6% kinderen werd 2 of 3 keer per maand gepest
- 3,6% kinderen pestten 2 of 3 keer pest maand en werden gepest (dader-
slachtoffers)
Pesten gebeurt vaak in tweetallen, welke telkens een andere samenstelling
kunnen hebben.
Observatie is de beste manier om (pest)gedrag in kaart te brengen. Twee
conclusies:
- De leerkracht ziet nauwelijks iets (kinderen doen het als de leraar niet uit)
- Omstanders ondernemen zelden actie
,Bij kleuters is het lastiger om het gedrag in kaart te brengen, omdat ze alleen het
begrip ‘slachtoffer’ en niet ‘dader’ begrijpen. Pesten gebeurt op alle leeftijden en
begint al bij kleuters, waar relatief veel kinderen bij betrokken zijn.
Longitudinaal onderzoek heeft als kenmerk dat dezelfde proefpersonen gevolgd
worden. In een vijfjarig lonitudinaal onderzoek naar victimisatie met jaarlijkse
metingen bij 197 kinderen, die aan het begin van de studie 5 jaar oud waren,
bleek de stabiliteit voor zelfrapportages betrekkelijk hoog over korte
tijdsintervallen (van het ene naar het volgende jaar). Met een toename van de
leeftijd nam ook de stabiliteit over iets langere perioden toe.
De rol van slachtoffer bij zelfrapportages is stabiel. Bij peerrapportages is de rol
van dader stabiel en de rol van slachtoffer niet of minder.
Voor sommigen is pesten of gepest worden een constante in hun leven.
Pesten neemt vaak eerst toe bij de overgang van basisschool naar de middelbare
school, maar daarna geleidelijk weer af: de sociale hiërarchie moet opnieuw
worden vastgesteld + kinderen vinden in deze leeftijdsfase status in de groep
belangrijker dan voorheen. Na een tijdje neemt het pesten vaak weer af: de
meeste kinderen lijken genoegen te nemen met hun positie. De kinderen die
daarna nog gepest worden, zijn vaak de kinderen die veel problemen
ondervinden.
De meeste studies die zijn verricht naar het leed van slachtoffers zijn
correlationeel van aard. Het gaat dus om eerder samenhangen dan om
consequenties zonder meer: het kan ook om antecedenten gaan, dat wat
voorafgaat aan pesten.
Victimisatie: slachtofferschap, wat in verband is gebracht met angst en
depressie, verminderd zelfvertrouwen en een lagere zelfwaardering, met een
geringe sociale aanpassing, minder vrienden en met fysieke klachten en
spijbelen. Deze gevolgen kunnen zich ook later aandienen.
Zowel internaliserende als externaliserende problemen zijn antecedenten én
consequenties van victimisatie (een depressie kan er voor zorgen dat je gepest
wordt, omdat je wat zwakker bent, maar het kan ook een gevolg zijn van pesten).
Uit onderzoek blijkt dat zowel slachtoffers als getuigen angstig waren bij
victimisatie, maar de slachtoffers voelden zich ook vernederd.
Dader-slachtoffers hebben vaak én meer gedragsproblemen én voelen zich alleen
staan in een groep.
Er is een duidelijk verband tussen agressie in (met name) de late adolescentie en
betrokkenheid bij delinquentie met name geweldsmisdrijven.
Wie anderen pest, betaalt een prijs in de vorm van afwijzing door anderen (en
gedragsproblemen en psychiatrische problematiek en criminaliteit). Wie ophoudt
met pesten, wordt vaak in genade aangenomen en de ervaren problemen nemen
af.
Hoofdstuk 2 Meten van gedag in pestsituaties
, Als pesten moet worden gemeten, gaat het erom hoe dat theoretisch begrip
pesten het best vertaald kan worden naar een meetbare variabele pesten.
Zelfrapportages van leerlingen leveren meer slachtoffers op dan nominaties door
leeftijdsgenoten. Deze laatste geven meer nominaties voor daders. Er bestaat
geen ‘gouden standaard’ om pesten te meten, maar er zijn wel een aantal
methoden:
1. Observaties: Directe observatie om te meten wat er werkelijk gebeurt wanneer
en gepest wordt. Dit is de meest objectieve methode, maar het kost wel veel tijd
en geld. Als je exact weet hoe een situatie verloopt, kun je hier met een
interventie goed op inspelen. Er zijn twee manieren om te observeren:
* Onsystematische ongestructureerde observatie: natuurlijke context om zo
bepaalde gedragspatronen te ontdekken. Dit is nodig voor een systematische
observatie.
* Systematische gestructureerde observatie: Hierin is namelijk van te voren
precies vastgelegd welke gedragingen moeten worden geobserveerd.
Je moet wachten tot het gedrag zich voordoet en dan registreren (event
sampling). Echter is niet al het pestgedrag te observeren (te snel, te zacht praten
e.d.). Na de observatie moet het geanalyseerd worden.
2. Zelfrapportage (self-report): Hierbij vraag je aan kinderen of ze zelf gepest
worden of dat ze andere leerlingen pesten (vooral internaliserend). Voordeel:
vragenlijsten klassikaal af te nemen en slachtoffers en dader zijn makkelijk te
identificeren. Nadeel: leerlingen antwoorden niet altijd eerlijk. Ze kunnen het
gedrag van andere als pesten ervaren, terwijl dit niet zo bedoeld is:
overrapportage. Of ze durven niet eerlijk te zeggen dat ze gepest worden:
onderrapportage.
De bekendste en meest gebruikte zelfrapportagevragenlijst is de Olweus Bullyinh
Questionnaire die vragen bevat over verschillende vormen van pesten en
slachtofferschap. Een Nederlandse variant is de PRIMA-pestmeter.
3. Rapportage door leeftijdsgenoten (peer report): Bij pesten zijn vrijwel altijd
naast de pester en de daders ook omstanders betrokken (vooral sociale positie in
de klas). Voordeel: deze methode is vaak erg betrouwbaar, omdat het oordeel
wordt gegeven door de observatoren. Nadeel: er is soms sprake van
‘vriendjespolitiek’. Dit kan door ratings(0-3) of nominaties (namen). Er zijn zes
pestrollen te onderscheiden:
1. Initiatiefnemende dader
2. Meeloper
3. Aanmoediger
4. Slachtoffer
5. Verdediger
6. Buitenstaander
De pestrollenvragenlijst kan helpen om de namen die hierbij horen op te sporen.
Hieruit komen proportiescore waarna de pesters kunnen worden ingedeeld naar
rol.
Shared method variance: wanneer er overeenkomst is tussen informaten.
Er is geen echte voorkeur voor één van bovenstaande methoden. Aangeraden
wordt om beide methoden naast elkaar toe te passen.