De Duitse naamvallen 5HV
•1ste naamval (Nominativ)
•3de naamval (Dativ)
•4de naamval (Akkusativ)
, De eerste naamval – Der
Nominativ
Wanneer? Voorbeeld
• Het onderwerp in de zin staat • Der Mann ist krank
in het Duits altijd in de eerste
naamval. (vraag: wie of wat + • Die Frau sieht mich nicht.
gezegde)
• Het naamwoordelijk gezegde
staat in het Duits ook altijd in
• Er ist der neue Chef.
de eerste naamval. Dit bestaat • Wer wird der neue Trainer?
uit een koppelwerkwoord • Jan bleibt mein bester
(sein, werden of bleiben) en
een bijvoegelijk of zelfstandig Freund.
naamwoord.
•1ste naamval (Nominativ)
•3de naamval (Dativ)
•4de naamval (Akkusativ)
, De eerste naamval – Der
Nominativ
Wanneer? Voorbeeld
• Het onderwerp in de zin staat • Der Mann ist krank
in het Duits altijd in de eerste
naamval. (vraag: wie of wat + • Die Frau sieht mich nicht.
gezegde)
• Het naamwoordelijk gezegde
staat in het Duits ook altijd in
• Er ist der neue Chef.
de eerste naamval. Dit bestaat • Wer wird der neue Trainer?
uit een koppelwerkwoord • Jan bleibt mein bester
(sein, werden of bleiben) en
een bijvoegelijk of zelfstandig Freund.
naamwoord.