7.1 Eenparige cirkelbeweging
Opgave 1
a De omlooptijd is de tijd voor één rondje.
10
T 0, 0714 s
140
Afgerond: T = 0,071 s.
b De baansnelheid bereken je met de formule voor de baansnelheid.
De straal is de helft van de diameter.
r 12 d
d = 60 cm = 0,60 m
r 12 0,60 0,30 m
2π r
vbaan
T
r = 0,30 m
T = 0,0714 s (Zie niet afgerond antwoord vraag a)
2π 0,30
v 26,3 ms 1
0,0714
Afgerond: vbaan = 26 m s−1.
c De afstand die de waterdruppel aflegt, bereken je met de baansnelheid en de tijd.
s=v·t
v = 26,3 m s−1 (Zie niet afgerond antwoord vraag b)
t = 1 min = 60 s
s = 26,3 × 60 = 1578 m
Afgerond: s = 1,6·103 m.
Of
De afstand die de waterdruppel aflegt, bereken je met de omtrek en het aantal
omwentelingen.
s=n∙O
In 10 s maakt de trommel 140 omwentelingen.
Dus in één minuut is n = 6 × 140 = 840.
O = πd met d = 60 cm = 0,60 m.
s = 840 x π x 0,60 = 1,583·103 m
Afgerond: s = 1,6·103 m.
d Het toerental is het aantal omwentelingen in een minuut.
In tien seconden is het aantal omwentelingen 140.
In één minuut = 60 s zijn dat 6 × 140 = 840 omwentelingen.
Afgerond: n = 8,4·102.
Opgave 2
a De baansnelheid volgt uit de formule voor de baansnelheid.
2π r
vbaan
T
De omlooptijd van punt P is gelijk aan die van punt Q.
De baanstraal van punt P is kleiner dan die van punt Q.
© ThiemeMeulenhoff bv versie 1.1 Pagina 1 van 20