Aardrijkskunde samenvatting Systeem Aarde H1 t/m 4
H1 De actieve aarde
Hoofdvraag:
Hoe kunnen de endogene processen die samenhangen met de platentektoniek, worden
verklaard?
§1.1
Actualiteitsbeginsel = Principe waarbij ervan uitgegaan wordt dat natuurprocessen in het
verleden en het heden op dezelfde manier verlopen.
2 belangrijke eigenschappen van de aarde:
- Vloeibaar water op het aardoppervlak
- De inwendige gelaagd baarheid
Chemische samenstelling = uit welke materialen de schillen bestaan
→ Inslagen van meteorieten zorgden voor veel warmte → dit hoopte zich op in de
aarde → zware elementen zakten naar de diepte →
Opbouw van de aarde:
Binnenste van de aarde is de aardkern, die bestaat voornamelijk uit ijzer.
→ Temperatuur: tussen 5000 en 6000 graden
Daarna komt de aardmantel → bestaat uit magnesium en ijzer ( tussen 1800 en
2800 graden )
Buitenste laag is de aardkorst, twee verschillende vormen:
- Continentale korst, onder de continenten ( 30 tot 70 km ) = licht gesteente, graniet
- Oceanische korst, onder de oceanen ( vanaf 7 km ) = zwaar gesteente, basalt
( fijnkorrelig, zwart )
Fysische eigenschappen = de hardheid van de schillen
Lithosfeer = harde, vaste buitenlaag van de aarde
→ onder de oceanen is lithosfeer dunner dan
onder de continenten
Asthenosfeer = zachtere, vrij plastische laag in de
aardmantel.
→ ligt onder de lithosfeer
Aarde krijgt warmte van inwendige en uitwendige
bronnen:
Inwendig = ontstaan uit hete nevel gassen,
radioactiviteit van sommige gesteenten
Uitwendig = de zon
1
,§1.2
Gesteente = opgebouwd uit een mengsel van mineralen en/of organische stoffen
die in de natuur voorkomen. → basisbestanddelen
Mineraal = een verbinding die in de natuur voorkomt en bepaalde chemische eigenschappen
heeft, elk mineraal heeft zijn eigen kristalvorm. Voor de vorming is veel tijd nodig.
Organische stoffen = ontstaan uit levende organismen
3 groepen gesteenten, op basis van hun ontstaanswijze:
Stollingsgesteenten → ontstaan door afkoeling en stolling van magma.
- Dieptegesteente = ontstaat als het vloeibare magma ver onder de
aardkorst heel langzaam stolt. → graniet ( kristallen goed zichtbaar )
- Uitvloeiingsgesteenten = ontstaat als het hete magma bij een
vulkaanuitbarsting als lava uit de krater over de hellingen van een vulkaan
stroomt. → basalt ( kristallen niet zichtbaar )
Sedimentgesteenten → ontstaan wanneer afzettingen van zand en klei in lagen
worden neergelegd en samengeperst.
- Klastische sedimenten = zand en klei worden gesedimenteerd tot dikke lagen, door
de druk van bovenliggende lagen worden de lagen samengeperst tot een hard
gesteente. ( zandsteen )
- Organische sedimenten = ontstaan door ophoping van organisch materiaal. Door de
druk van bovenliggende lagen wordt kalk kalksteen.
Metamorfe ( van vorm veranderd ) gesteenten → ontstaan wanneer een gesteente
langere tijd onder invloed van hoge druk en hoge temperatuur staat. De
samenstelling van het gesteente is veranderd.
- Processen vinden diep in de aardkorst plaats of bij gebergtevorming
- Kalksteen wordt marmer
- Schalie of kleisteen wordt leisteen
Kalkafzettingen ontstaan in zeewater
Gesteentekringloop = kringloop van de opbouw en de afbraak van gesteente op aarde.
§1.3
Leeftijd van de aarde kon bepaald worden door deze conclusies:
- Het principe van superpositie = als lagen sedimenten op elkaar liggen, is de
onderliggende laag ouder dan de bovenliggende laag.
- !!!!!!!! Alle sedimenten worden in horizontale beddingen afgezet. Als de lagen
geplooid zijn, weet je dat ze door druk zijn vervormd, nadat ze eerst horizontaal zijn
neergelegd.
2
, Geologische tijdschaal = Indeling van de geschiedenis van de aarde in
geologische tijdperken.
Afrika en Amerika moeten aan elkaar hebben vastgezeten, want:
- De flora en fauna vertonen veel overeenkomsten
- De gesteenten sluiten op elkaar aan
- Duitse meteoroloog wegener
Paleomagnetisme = met deze methode kan de richting van het
aardmagnetische veld in oude gesteenteformaties worden vastgesteld.
Mid-oceanische rug = onderzeese gebergteketen die is ontstaan
doordat mantelmateriaal bij een divergente breukzone aan de
oppervlakte komt en een bergrug heeft gevormd.
Platentektoniek = processen waarbij platen bewegen, ontstaan en
verdwijnen.
Beweging van platen wordt aangedreven door de inwendige hitte van
de aarde.
Convectie stroom = stroming van vloeibaar en plastisch gesteente die
in de mantel opwelt, onder de lithosfeer afkoelt, zijdelings wegstroomt
en uiteindelijk weer daalt.
Convectiestromen in de aardkorst
§1.4
Aardbeving = trilling van de aarde als gevolg van het plotseling verschuiven van stukken van
de aardkorst of van de eronder liggende mantel.
→ de plaats van de beving in de aardkorst of de aardmantel = hypocentrum
3
H1 De actieve aarde
Hoofdvraag:
Hoe kunnen de endogene processen die samenhangen met de platentektoniek, worden
verklaard?
§1.1
Actualiteitsbeginsel = Principe waarbij ervan uitgegaan wordt dat natuurprocessen in het
verleden en het heden op dezelfde manier verlopen.
2 belangrijke eigenschappen van de aarde:
- Vloeibaar water op het aardoppervlak
- De inwendige gelaagd baarheid
Chemische samenstelling = uit welke materialen de schillen bestaan
→ Inslagen van meteorieten zorgden voor veel warmte → dit hoopte zich op in de
aarde → zware elementen zakten naar de diepte →
Opbouw van de aarde:
Binnenste van de aarde is de aardkern, die bestaat voornamelijk uit ijzer.
→ Temperatuur: tussen 5000 en 6000 graden
Daarna komt de aardmantel → bestaat uit magnesium en ijzer ( tussen 1800 en
2800 graden )
Buitenste laag is de aardkorst, twee verschillende vormen:
- Continentale korst, onder de continenten ( 30 tot 70 km ) = licht gesteente, graniet
- Oceanische korst, onder de oceanen ( vanaf 7 km ) = zwaar gesteente, basalt
( fijnkorrelig, zwart )
Fysische eigenschappen = de hardheid van de schillen
Lithosfeer = harde, vaste buitenlaag van de aarde
→ onder de oceanen is lithosfeer dunner dan
onder de continenten
Asthenosfeer = zachtere, vrij plastische laag in de
aardmantel.
→ ligt onder de lithosfeer
Aarde krijgt warmte van inwendige en uitwendige
bronnen:
Inwendig = ontstaan uit hete nevel gassen,
radioactiviteit van sommige gesteenten
Uitwendig = de zon
1
,§1.2
Gesteente = opgebouwd uit een mengsel van mineralen en/of organische stoffen
die in de natuur voorkomen. → basisbestanddelen
Mineraal = een verbinding die in de natuur voorkomt en bepaalde chemische eigenschappen
heeft, elk mineraal heeft zijn eigen kristalvorm. Voor de vorming is veel tijd nodig.
Organische stoffen = ontstaan uit levende organismen
3 groepen gesteenten, op basis van hun ontstaanswijze:
Stollingsgesteenten → ontstaan door afkoeling en stolling van magma.
- Dieptegesteente = ontstaat als het vloeibare magma ver onder de
aardkorst heel langzaam stolt. → graniet ( kristallen goed zichtbaar )
- Uitvloeiingsgesteenten = ontstaat als het hete magma bij een
vulkaanuitbarsting als lava uit de krater over de hellingen van een vulkaan
stroomt. → basalt ( kristallen niet zichtbaar )
Sedimentgesteenten → ontstaan wanneer afzettingen van zand en klei in lagen
worden neergelegd en samengeperst.
- Klastische sedimenten = zand en klei worden gesedimenteerd tot dikke lagen, door
de druk van bovenliggende lagen worden de lagen samengeperst tot een hard
gesteente. ( zandsteen )
- Organische sedimenten = ontstaan door ophoping van organisch materiaal. Door de
druk van bovenliggende lagen wordt kalk kalksteen.
Metamorfe ( van vorm veranderd ) gesteenten → ontstaan wanneer een gesteente
langere tijd onder invloed van hoge druk en hoge temperatuur staat. De
samenstelling van het gesteente is veranderd.
- Processen vinden diep in de aardkorst plaats of bij gebergtevorming
- Kalksteen wordt marmer
- Schalie of kleisteen wordt leisteen
Kalkafzettingen ontstaan in zeewater
Gesteentekringloop = kringloop van de opbouw en de afbraak van gesteente op aarde.
§1.3
Leeftijd van de aarde kon bepaald worden door deze conclusies:
- Het principe van superpositie = als lagen sedimenten op elkaar liggen, is de
onderliggende laag ouder dan de bovenliggende laag.
- !!!!!!!! Alle sedimenten worden in horizontale beddingen afgezet. Als de lagen
geplooid zijn, weet je dat ze door druk zijn vervormd, nadat ze eerst horizontaal zijn
neergelegd.
2
, Geologische tijdschaal = Indeling van de geschiedenis van de aarde in
geologische tijdperken.
Afrika en Amerika moeten aan elkaar hebben vastgezeten, want:
- De flora en fauna vertonen veel overeenkomsten
- De gesteenten sluiten op elkaar aan
- Duitse meteoroloog wegener
Paleomagnetisme = met deze methode kan de richting van het
aardmagnetische veld in oude gesteenteformaties worden vastgesteld.
Mid-oceanische rug = onderzeese gebergteketen die is ontstaan
doordat mantelmateriaal bij een divergente breukzone aan de
oppervlakte komt en een bergrug heeft gevormd.
Platentektoniek = processen waarbij platen bewegen, ontstaan en
verdwijnen.
Beweging van platen wordt aangedreven door de inwendige hitte van
de aarde.
Convectie stroom = stroming van vloeibaar en plastisch gesteente die
in de mantel opwelt, onder de lithosfeer afkoelt, zijdelings wegstroomt
en uiteindelijk weer daalt.
Convectiestromen in de aardkorst
§1.4
Aardbeving = trilling van de aarde als gevolg van het plotseling verschuiven van stukken van
de aardkorst of van de eronder liggende mantel.
→ de plaats van de beving in de aardkorst of de aardmantel = hypocentrum
3