Hoorcolleges Klinische
Psychologie
Hoorcollege 1
(niet alleen classificeren) Diagnose, behandeling, preventie en onderzoek
Diagnostische cirkel uit de werkgroep belangrijk
Boek niet: 11, 16, 18 en 23
Andere boek: hoofdstuk 3 (op blackboard)
Psychologie dat zich bezighoudt met afwijkend, slecht aangepast en abnormaal menselijk gedrag
Binnen vs. buiten een persoon
Seligman, Walker en Rosenhan (2001) 7 factoren die bepalen of gedrag als abnormaal wordt
beschouwd
1. Persoonlijk lijden
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies
5. Opvallend en onconventioneel
6. Gedrag het een ongemakkelijk gevoel bij andere teweegbrengt
7. Het overtreden van morele normen
APA definitie: een syndroom gekenmerkt door klinisch significante symptomen op het gebied van
cognitieve functies, de emotieregulatie, of het gedrag van een persoon, dat een uiting is van een
disfunctie in de psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen die ten grondslag liggen aan
het psychische functioneren
+persoonlijk lijden
+beperkingen in het functioneren (beroepsmatig en/of sociaal)
-Te verwachten en cultureel aanvaardbare reacties
-Gedrag dat voortvloeit uit het behoren tot een politieke, religieuze of seksuele minderheid
-Niet voortkomend uit persoonlijk conflict tussen individu en maatschappij
Statistisch model
- Normaalverdeling van eigenschappen van de bevolking
Kritiek: waar leg je de grens (arbitrair), niet gespecificeerd hoe abnormaal gedrag moet zijn, geen
onderscheid of er sprake is van individueel lijden
Medisch of ziekte model
Abnormaliteit -> Diagnose -> therapie -> genezing (client en therapeut)
Oorzaken: somatogeen en/of psychogeen
Kritiek: passieve rol van patiënt, veel stoornissen geen onderliggend mechanisme, stigmatisering
Leer-of onderwijsmodel
Probleem -> leerdoel -> uitvoering van een onderwijsprogramma -> vermindering van het probleem
Verkeerd gelopen leerprocessen (leraar en leerling) <- vaardigheidstekorten
Demarcatie- of afgrenzingscriterium: verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid (afwezigheid->ziek
,Neurobiologische benadering: focus op de rol van genen en neurobiologische processen in de
hersenen bij psychopathologie (bv. neurotransmitter, afwijkingen in hersenen)
Genetisch perspectief
Familiestudie: hoe vaak het voor in een familie
(erfelijkheid, maar lastig door omgevingsfactoren gelijk zijn)
Tweelingstudie: vergelijking tussen 1eiige en 2 eiige tweelingen
Concordantie -> mate waarin eigenschappen bij 2 familieleden voorkomen
Concordantiecoefficient: tussen 0-1 -> hoe dichter bij 1, hoe meer kenmerk verklaard wordt door
genen
Adoptie studie: verschil tussen geadopteerde als normale kinderen om verschil te kijken in
omgevingseffect
Predispositie: bepaalde genetische gevoeligheid x stressverhogende omgeving = psychopathologie
Diathese-stress model
Als vatbare personen in een negatieve omgeving opgroeien, hebben zij meer kans op een negatieve
uitkomt
Differential susceptibility theory
Genetische vatbaarheid maakt een persoon gevoeliger voor omgevingsinvloeden (zowel positief als
negatief)
Cognitief neurowetenschappelijk perspectief
Afwijkingen in bepaalde hersenen worden in verband gebracht met het ontstaan van (symptomen
van) bepaalde psychische stoornissen
Limbische systeem -> amygdala, hippocampus en hypothalamus -> overactiviteit -> arousal -> angst
Amygdala -> hyperactief -> gedrukte stemming (kenmerkend voor depressie
Prefrontale cortex -> reguleren emoties, gedrag, abstractie, verbaal geheugen etc -> impulsiviteit/
emotie regulatie
Externaliserende stoornis: ondercontrole emoties bv. agressief, antisociaal en impulsief
Idee: onderactiviteit van autonome zenuwstelsel
Internaliserende stoornis: overcontrole emoties bv. emotionele instabiliteit en verstoord affect
Idee: overactiviteit van autonome zenuwstelsel
5 emotieregulatiestrategieën
1. Selectie van de situatie (bv wegblijven)
2. Modificatie van de situatie (vermijden, time-out nemen)
3. Verandering in aandacht (afleiding)
4. Cognitieve herwaardering van de betekenis van de stimulus (reappraisal, positieve gedachte
erover om ongewenste emoties af te laten nemen)
5. Expressie van ongewenste emoties onderdrukken
Comorbiditeit: gelijktijdig hebben van twee of meer vormen van psychopathologie
Sterk: angst – depressie (binnen internaliserende dimensies, ook biologisch overactiviteit autonoom)
Sterk: ADHD – gedragsstoornissen (binnen externaliserende dimensies)
Ook: gedragsstoornis – depressie (tussen beide dimensies: gedrag -> afwijzing omgeving)
, Leer theoretische benaderingen
- Klassieke conditionering (pavlov)
- Instrumentele conditionering (Thorndikke)/ Operante conditionering (Skinner)
Klassiek
Onvoorwaardelijke prikkel -> ongeconditioneerde response (eten -> kwijl)
Neutrale response kopellen met onvoorwaardelijke prikkel -> voorwaardelijke response op
voorwaardelijke prikkel
Aversieve conditionering: afkeer/ angst aanleren
Instrumenteel
Gedrag dat tot een onaangename uitkomst leidt, zal in frequentie afnemen dus: leren consequenties
van het gedrag, leerprincipe van belonen en straffen
Situation (S) (discriminatieve prikkel)
Response (R)
Outcome (O)
Verklaring: associatievorming in het geheugen
Mentale representaties -> interne datastructuren met informatie over een stimulus of respons
Mentale representaties: De prikkel en de omliggende informatie worden tegelijk terug gehaald om
jezelf meer informatie te geven
Propositionele theorie als alternatieve verklaring conditionering
Leren vindt plaats door middel van een verwachting (propositie) in het geheugen en de mate van
vertrouwen in verwachting
Appetitieve conditionering: een vorm van klassieke conditionering waarbij de ongeconditioneerde
stimulus (OP) een beloond wordt door positieve consequenties
Drinken wijn (OP), zien van wijn (VP) -> craving -> motiveert tot drinken (klassiek)
Instrumenteel:
1. Doelgericht gedrag (response-uitkomst leren)
Gedrag wordt in het begin gestuurd door de motivationele waarde de uitkomst en de relaties tussen
respons en uitkomst (als ik dat glas wijn drink, voel ik me rustiger)
2. Gewoonte gedrag (stimulus-respons leren)
Na verloop van tijd wordt de respons een gewoonte en wordt deze niet meer gedreven door de
uitkomst
Cognitieve benadering
Informatieverwerking -> processen die een rol spelen bij de verwerving, opslag en reproductie van
kennis
Globale idee: Psychische stoornissen komen voort uit de manier waarop mensen informatie
verwerken en selecteren
Bij verschillende psychische stoornissen -> typische informatieverwerkingsprocessen met
vertekeningen in :
- Aandacht
Psychologie
Hoorcollege 1
(niet alleen classificeren) Diagnose, behandeling, preventie en onderzoek
Diagnostische cirkel uit de werkgroep belangrijk
Boek niet: 11, 16, 18 en 23
Andere boek: hoofdstuk 3 (op blackboard)
Psychologie dat zich bezighoudt met afwijkend, slecht aangepast en abnormaal menselijk gedrag
Binnen vs. buiten een persoon
Seligman, Walker en Rosenhan (2001) 7 factoren die bepalen of gedrag als abnormaal wordt
beschouwd
1. Persoonlijk lijden
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies
5. Opvallend en onconventioneel
6. Gedrag het een ongemakkelijk gevoel bij andere teweegbrengt
7. Het overtreden van morele normen
APA definitie: een syndroom gekenmerkt door klinisch significante symptomen op het gebied van
cognitieve functies, de emotieregulatie, of het gedrag van een persoon, dat een uiting is van een
disfunctie in de psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen die ten grondslag liggen aan
het psychische functioneren
+persoonlijk lijden
+beperkingen in het functioneren (beroepsmatig en/of sociaal)
-Te verwachten en cultureel aanvaardbare reacties
-Gedrag dat voortvloeit uit het behoren tot een politieke, religieuze of seksuele minderheid
-Niet voortkomend uit persoonlijk conflict tussen individu en maatschappij
Statistisch model
- Normaalverdeling van eigenschappen van de bevolking
Kritiek: waar leg je de grens (arbitrair), niet gespecificeerd hoe abnormaal gedrag moet zijn, geen
onderscheid of er sprake is van individueel lijden
Medisch of ziekte model
Abnormaliteit -> Diagnose -> therapie -> genezing (client en therapeut)
Oorzaken: somatogeen en/of psychogeen
Kritiek: passieve rol van patiënt, veel stoornissen geen onderliggend mechanisme, stigmatisering
Leer-of onderwijsmodel
Probleem -> leerdoel -> uitvoering van een onderwijsprogramma -> vermindering van het probleem
Verkeerd gelopen leerprocessen (leraar en leerling) <- vaardigheidstekorten
Demarcatie- of afgrenzingscriterium: verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid (afwezigheid->ziek
,Neurobiologische benadering: focus op de rol van genen en neurobiologische processen in de
hersenen bij psychopathologie (bv. neurotransmitter, afwijkingen in hersenen)
Genetisch perspectief
Familiestudie: hoe vaak het voor in een familie
(erfelijkheid, maar lastig door omgevingsfactoren gelijk zijn)
Tweelingstudie: vergelijking tussen 1eiige en 2 eiige tweelingen
Concordantie -> mate waarin eigenschappen bij 2 familieleden voorkomen
Concordantiecoefficient: tussen 0-1 -> hoe dichter bij 1, hoe meer kenmerk verklaard wordt door
genen
Adoptie studie: verschil tussen geadopteerde als normale kinderen om verschil te kijken in
omgevingseffect
Predispositie: bepaalde genetische gevoeligheid x stressverhogende omgeving = psychopathologie
Diathese-stress model
Als vatbare personen in een negatieve omgeving opgroeien, hebben zij meer kans op een negatieve
uitkomt
Differential susceptibility theory
Genetische vatbaarheid maakt een persoon gevoeliger voor omgevingsinvloeden (zowel positief als
negatief)
Cognitief neurowetenschappelijk perspectief
Afwijkingen in bepaalde hersenen worden in verband gebracht met het ontstaan van (symptomen
van) bepaalde psychische stoornissen
Limbische systeem -> amygdala, hippocampus en hypothalamus -> overactiviteit -> arousal -> angst
Amygdala -> hyperactief -> gedrukte stemming (kenmerkend voor depressie
Prefrontale cortex -> reguleren emoties, gedrag, abstractie, verbaal geheugen etc -> impulsiviteit/
emotie regulatie
Externaliserende stoornis: ondercontrole emoties bv. agressief, antisociaal en impulsief
Idee: onderactiviteit van autonome zenuwstelsel
Internaliserende stoornis: overcontrole emoties bv. emotionele instabiliteit en verstoord affect
Idee: overactiviteit van autonome zenuwstelsel
5 emotieregulatiestrategieën
1. Selectie van de situatie (bv wegblijven)
2. Modificatie van de situatie (vermijden, time-out nemen)
3. Verandering in aandacht (afleiding)
4. Cognitieve herwaardering van de betekenis van de stimulus (reappraisal, positieve gedachte
erover om ongewenste emoties af te laten nemen)
5. Expressie van ongewenste emoties onderdrukken
Comorbiditeit: gelijktijdig hebben van twee of meer vormen van psychopathologie
Sterk: angst – depressie (binnen internaliserende dimensies, ook biologisch overactiviteit autonoom)
Sterk: ADHD – gedragsstoornissen (binnen externaliserende dimensies)
Ook: gedragsstoornis – depressie (tussen beide dimensies: gedrag -> afwijzing omgeving)
, Leer theoretische benaderingen
- Klassieke conditionering (pavlov)
- Instrumentele conditionering (Thorndikke)/ Operante conditionering (Skinner)
Klassiek
Onvoorwaardelijke prikkel -> ongeconditioneerde response (eten -> kwijl)
Neutrale response kopellen met onvoorwaardelijke prikkel -> voorwaardelijke response op
voorwaardelijke prikkel
Aversieve conditionering: afkeer/ angst aanleren
Instrumenteel
Gedrag dat tot een onaangename uitkomst leidt, zal in frequentie afnemen dus: leren consequenties
van het gedrag, leerprincipe van belonen en straffen
Situation (S) (discriminatieve prikkel)
Response (R)
Outcome (O)
Verklaring: associatievorming in het geheugen
Mentale representaties -> interne datastructuren met informatie over een stimulus of respons
Mentale representaties: De prikkel en de omliggende informatie worden tegelijk terug gehaald om
jezelf meer informatie te geven
Propositionele theorie als alternatieve verklaring conditionering
Leren vindt plaats door middel van een verwachting (propositie) in het geheugen en de mate van
vertrouwen in verwachting
Appetitieve conditionering: een vorm van klassieke conditionering waarbij de ongeconditioneerde
stimulus (OP) een beloond wordt door positieve consequenties
Drinken wijn (OP), zien van wijn (VP) -> craving -> motiveert tot drinken (klassiek)
Instrumenteel:
1. Doelgericht gedrag (response-uitkomst leren)
Gedrag wordt in het begin gestuurd door de motivationele waarde de uitkomst en de relaties tussen
respons en uitkomst (als ik dat glas wijn drink, voel ik me rustiger)
2. Gewoonte gedrag (stimulus-respons leren)
Na verloop van tijd wordt de respons een gewoonte en wordt deze niet meer gedreven door de
uitkomst
Cognitieve benadering
Informatieverwerking -> processen die een rol spelen bij de verwerving, opslag en reproductie van
kennis
Globale idee: Psychische stoornissen komen voort uit de manier waarop mensen informatie
verwerken en selecteren
Bij verschillende psychische stoornissen -> typische informatieverwerkingsprocessen met
vertekeningen in :
- Aandacht