Psychologische perspectieven op
gedrag
Biologisch perspectief:
Zoekt oorzaken van gedrag in het functioneren van genen, de hersenen, het
zenuwstelsel en het hormoonstelsel.
Biologisch perspectief kun je onderverdelen in neurowetenschap en
evolutionaire psychologie.
* Neurowetenschap;
Het vakgebied dat zich richt op begrip van hoe de hersenen, gedachten,
gevoelens, motieven, bewustzijn, herinneringen en andere mentale
processen creëren. Neurowetenschap is meer van deze tijd.
* Evolutionaire psychologie;
Een specialisme in de psychologie waarbij gekeken wordt naar hoe er vroeger
geleefd werd.
- Belangrijke begrippen:
* Introspectie;
Beschrijving van je eigen innerlijke, bewuste ervaringen.
* Structuralisme;
Gaat over de gebieden in de hersenen.
* Functionalisme;
Gaat over de bepaalde functies en het nut van de hersenen.
- Het verband tussen genen en gedrag:
Evolutie is het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort
doordat die zich succesvol aanpast aan zijn omgeving. De door Charles
Darwin ontwikkelde theorie over de evolutie verklaart gedrag als het
resultaat van natuurlijke selectie. Dit is een drijvende kracht achter de
evolutie, waardoor de omgeving de best aangepaste organismen ‘selecteert’.
Dit principe verklaart een groot deel van ons gedrag.
De genetica heeft de biologische basis van natuurlijke selectie en erfelijkheid
opgehelderd. Onze chromosomen bevatten duizenden genen waarop de
eigenschappen liggen die we van onze ouders hebben geërfd. Elke gen
bestaat uit een DNA-segment dat voor een eiwit codeert. Eiwitten vormen op
hun beurt de bouwstenen van de structuur en functie van het organisme,
met inbegrip voor het functioneren van de hersenen. Onze genen hebben
invloed op onze psychologische eigenschappen, net als op onze lichamelijke
kenmerken.
Cognitieve perspectief:
De mens als informatieverwerkend systeem waarbij de nadruk ligt op
mentale processen zoals leren, geheugen, perceptie en denken.
,Behavioristische perspectief:
Behavioristisch perspectief is het onderzoeken van waarneembaar gedrag en
van de prikkels die het gedrag vormen.
- Leren:
Leren is een blijvende verandering in gedrag of mentale processen als gevolg
van een bepaalde ervaring. Je spreekt pas van leren als het tot een blijvende
verandering in gedrag leidt. Een vorm van eenvoudig leren is habituatie
(gewoonte). Het gaat hier om het niet reageren op een stimulus. Bijv.: De
tikkende klok die je niet meer hoort, omdat je er aan gewend bent geraakt. Je
leert om niet te reageren op de herhaalde aanbieding van een stimulus.
Het mere exposure effect is aangeleerde voorkeuren voor stimuli waaraan we
al eerder zijn blootgesteld. Bijv.: Als je een bepaald liedje overal hoort en je
gelijk weet waar het van is. Na een paar keer luisteren dan vind je het liedje
leuk. Dit komt door de herhaling.
- Klassiek conditionering:
Klassiek conditionering (Pavlov) is een vorm van stimulus-respons leren
waarbij een in eerste instantie neutrale stimulus het vermogen verwerft om
dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere stimulus die deze
oorspronkelijk oproept. Bijv.: Een hond begint te kwijlen als hij voedsel
krijgt(biologische reflex). Als een geluid met het voedsel herhaaldelijk samen
worden aangeboden, begint de hond al te kwijlen als hij geluid hoort. Ook als
er geen voedsel bij aangeboden wordt. De hond begon al te kwijlen bij een
neutrale stimulus. Dit is een stimulus die van nature geen reactie oproept, in
dit geval het geluid.
Basiskenmerken van Klassieke conditionering:
Voor conditionering
Voedsel = Roept Speekselafscheiding =
Ongeconditioneerde automatisch op Ongeconditioneerde
stimulus (UCS). respons (UCR).
Geluid neutrale stimulus Geen of respons Geen speekselafscheiding.
(NS)
Tijdens conditionering
(verweving)
Geluid = Geconditioneerde Roept op Speekselafscheiding =
stimulus (CS) + Ongeconditioneerde
Voedsel = respons (UCR).
Ongeconditioneerde
stimulus (UCS).
Na conditionering
,Geluid = Geconditioneerde Roept op Speekselafscheiding =
stimulus (CS). Conditioneerde respons
(CR).
Nog een voorbeeld van klassiek conditioneren:
Angst voor autorijden
Autorijden (CS) -> Niets
Ongeluk (US) -> Angst (UR)
Ongeluk (US) + Autorijden (US) -> Angst (UR)
Autorijden (CS) -> Angst (CR)
Extinctie/uitdoving is het effect van klassieke conditionering weghalen. Bijv.:
Door bij de hond het geluid (CS) herhaaldelijk te laten horen zonder het
aanbieden van voedsel (UCS). Dan zal hij na een tijdje ook niet meer kwijlen
(CR).
Spontaan herstel is dat het weggehaalde effect (CR) na een tijdje weer terug
kan komen. Bijv.: Als de hond na een lange tijd ineens het geluid (CS) weer
hoort kan het weer speekselafscheiding (CR) gaan produceren.
Stimulusgeneralisatie komt vaak voor bij angsten. Het zorgt er voor dat we
aangeleerde responsen toepassen in nieuwe situaties. Bijv.: De hond begint
bij elke soortgelijke bel te kwijlen en niet alleen maar dat ene geluidje.
Stimulusgeneralisatie is algemeen.
Stimulusdiscriminatie is het tegenovergestelde van stimulusgeneralisatie. Je
leert verschil te herkennen. Bijv.: De hond leert de verschillende geluiden te
onderscheiden. Op den duur reageert hij alleen nog maar die ene bel en niet
meer op bijvoorbeeld een deurbel. Dit wordt ook wel selectief leren genoemd.
Je gaat van algemeen (reageren op alle soorten belgeluiden) naar specifiek
(alleen nog maar die ene belgeluid).
- Operante conditionering:
Operante conditionering (Skinner) is een vorm van stimulus-responsleren
waarbij de kans op een respons verandert door de gevolgen ervan. Je
verzwakt of versterkt het gedrag door middel van consequenties, straffen of
belonen. Instrumentele conditionering is mensen of dieren gebruiken als
instrument om iets te leren.
Straffen/belonen Betekenis Voorbeeld
Positieve Iets er bij doen bij goed Een sticker krijgen.
bekrachtiging/beloni gedrag
ng
Negatieve Iets weg halen bij goed Geen afwas hoeven
bekrachtiging/beloni gedrag doen.
ng
Positief straffen Iets er bij doen bij afkeurend Strafregels schrijven.
gedrag
Negatief straffen Iets weghalen bij afkeurend Geen tv kijken.
, gedrag
De timing en de frequentie van bekrachtiging bepalen het effect ervan op
gedrag.
Je kunt continuerend bekrachtigen, je beloont dan al het goede gedrag. Je
kunt ook intermitterend/partieel bekrachtigen, je beloont enkele goed
gedragingen en niet alle.
Intermitterend bekrachtigen kan op twee verschillende manieren. Dit wordt
weergegeven in twee bekrachtigingschema’s. Een ratioschema, beloont een
persoon na een bepaald aantal responsen en een intervalschema, die geeft
beloning na een bepaald tijdsinterval.
Ratio (= telbaar) Interval (= tijd)
Vast Programma waarin Programma waarbij
bekrachtiging wordt bekrachtiging wordt aangeboden
aangeboden na een vast aantal na een vaste tijdsduur.
responsen.
Voorspelbaar Voorspelbaar
Variab Programma waarin het aantal Programma waarbij de tijd tussen
el responsen dat nodig is voor een de bekrachtigen steeds varieert
bekrachtiging elke keer anders
is.
Onvoorspelbaar onvoorspelbaar
Verschil tussen klassiek en operant conditioneren:
Klassiek conditioneren Operant conditioneren
Leerproces Gedrag wordt Gedrag wordt
gecontroleerd door stimuli gecontroleerd door
vóór respons (CS en UCS) gevolgen na respons
Inzet v/d Passief Actief
proefpersoon
Basissituatie Bestaande koppeling S en R Geen koppeling S en R
Extinctie Door weglaten UCS Door weglaten
bekrachtiging
- Sociaal leren: Bandura
gedrag
Biologisch perspectief:
Zoekt oorzaken van gedrag in het functioneren van genen, de hersenen, het
zenuwstelsel en het hormoonstelsel.
Biologisch perspectief kun je onderverdelen in neurowetenschap en
evolutionaire psychologie.
* Neurowetenschap;
Het vakgebied dat zich richt op begrip van hoe de hersenen, gedachten,
gevoelens, motieven, bewustzijn, herinneringen en andere mentale
processen creëren. Neurowetenschap is meer van deze tijd.
* Evolutionaire psychologie;
Een specialisme in de psychologie waarbij gekeken wordt naar hoe er vroeger
geleefd werd.
- Belangrijke begrippen:
* Introspectie;
Beschrijving van je eigen innerlijke, bewuste ervaringen.
* Structuralisme;
Gaat over de gebieden in de hersenen.
* Functionalisme;
Gaat over de bepaalde functies en het nut van de hersenen.
- Het verband tussen genen en gedrag:
Evolutie is het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort
doordat die zich succesvol aanpast aan zijn omgeving. De door Charles
Darwin ontwikkelde theorie over de evolutie verklaart gedrag als het
resultaat van natuurlijke selectie. Dit is een drijvende kracht achter de
evolutie, waardoor de omgeving de best aangepaste organismen ‘selecteert’.
Dit principe verklaart een groot deel van ons gedrag.
De genetica heeft de biologische basis van natuurlijke selectie en erfelijkheid
opgehelderd. Onze chromosomen bevatten duizenden genen waarop de
eigenschappen liggen die we van onze ouders hebben geërfd. Elke gen
bestaat uit een DNA-segment dat voor een eiwit codeert. Eiwitten vormen op
hun beurt de bouwstenen van de structuur en functie van het organisme,
met inbegrip voor het functioneren van de hersenen. Onze genen hebben
invloed op onze psychologische eigenschappen, net als op onze lichamelijke
kenmerken.
Cognitieve perspectief:
De mens als informatieverwerkend systeem waarbij de nadruk ligt op
mentale processen zoals leren, geheugen, perceptie en denken.
,Behavioristische perspectief:
Behavioristisch perspectief is het onderzoeken van waarneembaar gedrag en
van de prikkels die het gedrag vormen.
- Leren:
Leren is een blijvende verandering in gedrag of mentale processen als gevolg
van een bepaalde ervaring. Je spreekt pas van leren als het tot een blijvende
verandering in gedrag leidt. Een vorm van eenvoudig leren is habituatie
(gewoonte). Het gaat hier om het niet reageren op een stimulus. Bijv.: De
tikkende klok die je niet meer hoort, omdat je er aan gewend bent geraakt. Je
leert om niet te reageren op de herhaalde aanbieding van een stimulus.
Het mere exposure effect is aangeleerde voorkeuren voor stimuli waaraan we
al eerder zijn blootgesteld. Bijv.: Als je een bepaald liedje overal hoort en je
gelijk weet waar het van is. Na een paar keer luisteren dan vind je het liedje
leuk. Dit komt door de herhaling.
- Klassiek conditionering:
Klassiek conditionering (Pavlov) is een vorm van stimulus-respons leren
waarbij een in eerste instantie neutrale stimulus het vermogen verwerft om
dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere stimulus die deze
oorspronkelijk oproept. Bijv.: Een hond begint te kwijlen als hij voedsel
krijgt(biologische reflex). Als een geluid met het voedsel herhaaldelijk samen
worden aangeboden, begint de hond al te kwijlen als hij geluid hoort. Ook als
er geen voedsel bij aangeboden wordt. De hond begon al te kwijlen bij een
neutrale stimulus. Dit is een stimulus die van nature geen reactie oproept, in
dit geval het geluid.
Basiskenmerken van Klassieke conditionering:
Voor conditionering
Voedsel = Roept Speekselafscheiding =
Ongeconditioneerde automatisch op Ongeconditioneerde
stimulus (UCS). respons (UCR).
Geluid neutrale stimulus Geen of respons Geen speekselafscheiding.
(NS)
Tijdens conditionering
(verweving)
Geluid = Geconditioneerde Roept op Speekselafscheiding =
stimulus (CS) + Ongeconditioneerde
Voedsel = respons (UCR).
Ongeconditioneerde
stimulus (UCS).
Na conditionering
,Geluid = Geconditioneerde Roept op Speekselafscheiding =
stimulus (CS). Conditioneerde respons
(CR).
Nog een voorbeeld van klassiek conditioneren:
Angst voor autorijden
Autorijden (CS) -> Niets
Ongeluk (US) -> Angst (UR)
Ongeluk (US) + Autorijden (US) -> Angst (UR)
Autorijden (CS) -> Angst (CR)
Extinctie/uitdoving is het effect van klassieke conditionering weghalen. Bijv.:
Door bij de hond het geluid (CS) herhaaldelijk te laten horen zonder het
aanbieden van voedsel (UCS). Dan zal hij na een tijdje ook niet meer kwijlen
(CR).
Spontaan herstel is dat het weggehaalde effect (CR) na een tijdje weer terug
kan komen. Bijv.: Als de hond na een lange tijd ineens het geluid (CS) weer
hoort kan het weer speekselafscheiding (CR) gaan produceren.
Stimulusgeneralisatie komt vaak voor bij angsten. Het zorgt er voor dat we
aangeleerde responsen toepassen in nieuwe situaties. Bijv.: De hond begint
bij elke soortgelijke bel te kwijlen en niet alleen maar dat ene geluidje.
Stimulusgeneralisatie is algemeen.
Stimulusdiscriminatie is het tegenovergestelde van stimulusgeneralisatie. Je
leert verschil te herkennen. Bijv.: De hond leert de verschillende geluiden te
onderscheiden. Op den duur reageert hij alleen nog maar die ene bel en niet
meer op bijvoorbeeld een deurbel. Dit wordt ook wel selectief leren genoemd.
Je gaat van algemeen (reageren op alle soorten belgeluiden) naar specifiek
(alleen nog maar die ene belgeluid).
- Operante conditionering:
Operante conditionering (Skinner) is een vorm van stimulus-responsleren
waarbij de kans op een respons verandert door de gevolgen ervan. Je
verzwakt of versterkt het gedrag door middel van consequenties, straffen of
belonen. Instrumentele conditionering is mensen of dieren gebruiken als
instrument om iets te leren.
Straffen/belonen Betekenis Voorbeeld
Positieve Iets er bij doen bij goed Een sticker krijgen.
bekrachtiging/beloni gedrag
ng
Negatieve Iets weg halen bij goed Geen afwas hoeven
bekrachtiging/beloni gedrag doen.
ng
Positief straffen Iets er bij doen bij afkeurend Strafregels schrijven.
gedrag
Negatief straffen Iets weghalen bij afkeurend Geen tv kijken.
, gedrag
De timing en de frequentie van bekrachtiging bepalen het effect ervan op
gedrag.
Je kunt continuerend bekrachtigen, je beloont dan al het goede gedrag. Je
kunt ook intermitterend/partieel bekrachtigen, je beloont enkele goed
gedragingen en niet alle.
Intermitterend bekrachtigen kan op twee verschillende manieren. Dit wordt
weergegeven in twee bekrachtigingschema’s. Een ratioschema, beloont een
persoon na een bepaald aantal responsen en een intervalschema, die geeft
beloning na een bepaald tijdsinterval.
Ratio (= telbaar) Interval (= tijd)
Vast Programma waarin Programma waarbij
bekrachtiging wordt bekrachtiging wordt aangeboden
aangeboden na een vast aantal na een vaste tijdsduur.
responsen.
Voorspelbaar Voorspelbaar
Variab Programma waarin het aantal Programma waarbij de tijd tussen
el responsen dat nodig is voor een de bekrachtigen steeds varieert
bekrachtiging elke keer anders
is.
Onvoorspelbaar onvoorspelbaar
Verschil tussen klassiek en operant conditioneren:
Klassiek conditioneren Operant conditioneren
Leerproces Gedrag wordt Gedrag wordt
gecontroleerd door stimuli gecontroleerd door
vóór respons (CS en UCS) gevolgen na respons
Inzet v/d Passief Actief
proefpersoon
Basissituatie Bestaande koppeling S en R Geen koppeling S en R
Extinctie Door weglaten UCS Door weglaten
bekrachtiging
- Sociaal leren: Bandura