Er zijn 22 vragen, de juiste antwoorden staan op de laatste pagina in een tabel.
1: Een aanpassingsschuld kan ontstaan wanneer:
A) er lange tijd rondgekomen moet worden met een (te) laag inkomen.
B) er plots sprake is van minder inkomen of een flinke stijging van de vaste lasten.
C) er consequent teveel geld wordt uitgegeven.
2: Bij schaarste komen mensen in een tunnelvisie terecht, welke past niet bij tunnelvisie?
A) Het beschikbare denk- en zelfbeheersingvermogen nemen af.
B) Alle aandacht gaat naar datgene waar een gebrek aan is.
C) De executieve functies ontwikkelen zich sneller.
3: Tobias heeft voor het eerst een rekening niet betaald, wat is daarvan een logisch gevolg?
A) Hij krijgt een herinnering.
B) Hij krijgt een aanmaning.
C) Hij moet een betalingsregeling treffen.
4: In de fase van executie mag een schuldeiser in principe op alle goederen beslag laten leggen. Aan
welke voorwaarden moet de schuldeiser zich daarbij houden?
A) Bij beslag op het inkomen en bankbeslag de beslagvrije voet respecteren.
B) Goederen alleen verkopen als de verwachte opbrengst hoger is dan de kosten van de
verkoop.
C) Beide antwoorden zijn juist.
5: Welke stelling(en) is/zijn juist?
Stelling I: Het komt vaak voor dat schuldeisers bij het treffen van betalingsregelingen geen rekening
houden met het budget van de schuldenaar, waardoor deze ondanks de regeling toch dieper in de
problemen komt.
Stelling II: Een vordering kan enkel in de tweede en derde fase van de incasso oplopen door
bijkomende kosten.
A) I is juist, II is onjuist
B) I is onjuist, II is juist
C) Beide zijn juist
D) Beide zijn onjuist
6: Welke partijen mogen druk uitoefenen op een schuldenaar om te zorgen dat hij betaalt?
A) Incassobureaus, schuldhulpverleners en gerechtsdeurwaarders.
B) Schuldhulpverleners, gerechtsdeurwaarders en schuldeisers.
C) Gerechtsdeurwaarders, schuldeisers en incassobureaus.
7: Wat is een executoriale titel?
A) De titel die iemand krijgt die benoemd is tot gerechtsdeurwaarder.
B) Het document waarin de verplichting tot betalen wordt vastgelegd.
C) De schuldenaar die niet meer onder betaling kan uitkomen wordt zo genoemd.
8: Wat is niet waar als het gaat over budgetbeheer?
A) Het volledige inkomen wordt naar budgetbeheer gestort.
B) Alle gemeenten zijn verplicht gratis budgetbeheer aan te bieden.
C) Alle vaste lasten worden geregeld door budgetbeheer.