Oefentoets Introductie Wetenschappelijke Onderzoeksmethoden
1. Gegeven: Met behulp van epidemiologisch onderzoek kan geëvalueerd worden of er effect-
modificatie bestaat voor een associatie tussen een blootstelling en een ziekte.
Vraag: Welke van de volgende stellingen over effectmodificatie is niet juist?
a. Effect-modificatie is geen vorm van vertekening (bias) van de associatie tussen een
blootstelling en ziekte.
b. Effect-modificatie kan inzicht geven in het mechanisme waarmee een blootstelling is
geassocieerd met de ziekte.
c. Er is effect-modificatie wanneer de stratum specifieke associaties gelijk zijn aan elkaar,
maar niet aan de bruto-associatie.
2.
a. Ja, want de odds ratio is 1.4
b. Nee, want de odds ratio is 1.0
c. Ja, want de odds ratio is 2.3
3. Gegeven: Onderzoekers die oorzaak-gevolgrelaties tussen gezondheidsdeterminanten en -
uitkomsten willen blootleggen, streven naar een zo hoog mogelijke interne validiteit van hun
wetenschappelijk onderzoek. Om dit te berekenen proberen ze vertekening door
selectiebias, informatiebias en confounding zo goed mogelijk te voorkomen door het
optimale onderzoeksdesign te kiezen.
Vraag: Wat is de juiste rangorde van de hieronder genoemde onderzoeksdesigns, in
toenemende mate van interne validiteit?
a. Cohortonderzoek- dwarsdoorsnede onderzoek- patiënt-controle onderzoek
b. Patiënt-controleonderzoek- cohortonderzoek- dwarsdoorsnedeonderzoek
c. Dwarsdoorsnedeonderzoek- patiënt-controleonderzoek- cohortonderzoek
4. Gegeven: De mogelijkheid om onderzoeksresultaten te kunnen vertalen naar een populatie
anders dan de onderzochte populatie is een kwaliteitsaspect, hetgeen met de validiteit te
maken heeft.
Vraag: wat wordt hier in het bijzonder mee bedoeld?
a. Interne validiteit
b. Externe validiteit
c. Inhoudsvaliditeit
, 5. Welke onderstaande beweringen over informatiebias is juist?
a. Als fouten in de bloodstellingsmeting voor patiënten en controles in een patiënt-controle
onderzoek even groot zijn, dan is er sprake van differentiële misclassificatie.
b. Blinderen van patiënten en onderzoekers vergroot de kans op differentiële
misclassificatie in een gerandomiseerde placebo-gecontroleerde trial.
c. Recall bias (herinneringsbias) in een retrospectief patiënt-controleonderzoek is een
voorbeeld van differentiële misclassificatie van de blootstelling.
6. Gegeven: de rol van kwalitatief onderzoek is veelzijdig.
Vraag: Welke van de onderstaande vragen is juist?
a. Vorming van een theoretisch kader vormt het doel van de gefundeerde
theoriebenadering.
b. In kwalitatief onderzoek vindt geen toetsing plaats
c. Theorie moet altijd het uitgangspunt zijn van een kwalitatief wetenschappelijk
onderzoek.
7.
a. De gevonden OR was een omkering van de werkelijke OR
b. De gevonden OR was een onderschatting van de werkelijke OR
c. De gevonden OR was een overschatting van de werkelijke OR
8. Gegeven: er zijn verschillende vormen van kwalitatief onderzoek te onderscheiden. Een van
die vormen wordt genoemd de methode van “grounded theory”, oftewel de gefundeerde
theoriebenadering.
Vraag: welke onderstaande stelling is onjuist?
a. Grounded theory vindt plaats volgens de methode van de constante vergelijking
b. Bij grounded theory wordt vooraf een theoretisch kader geëxpliciteerd.
c. Bij grounded theory zijn “sensitizing concepts” deel van de voorbereiding en analysefase.
9. Gegeven: de gerandomiseerde gecontroleerde trial wordt doorgaans gezien als het beste
onderzoeksdesign.
Vraag: de methodologische pluspunten van dit onderzoeksdesigns leiden met name tot:
a. Interne validiteit voor causale relaties
1. Gegeven: Met behulp van epidemiologisch onderzoek kan geëvalueerd worden of er effect-
modificatie bestaat voor een associatie tussen een blootstelling en een ziekte.
Vraag: Welke van de volgende stellingen over effectmodificatie is niet juist?
a. Effect-modificatie is geen vorm van vertekening (bias) van de associatie tussen een
blootstelling en ziekte.
b. Effect-modificatie kan inzicht geven in het mechanisme waarmee een blootstelling is
geassocieerd met de ziekte.
c. Er is effect-modificatie wanneer de stratum specifieke associaties gelijk zijn aan elkaar,
maar niet aan de bruto-associatie.
2.
a. Ja, want de odds ratio is 1.4
b. Nee, want de odds ratio is 1.0
c. Ja, want de odds ratio is 2.3
3. Gegeven: Onderzoekers die oorzaak-gevolgrelaties tussen gezondheidsdeterminanten en -
uitkomsten willen blootleggen, streven naar een zo hoog mogelijke interne validiteit van hun
wetenschappelijk onderzoek. Om dit te berekenen proberen ze vertekening door
selectiebias, informatiebias en confounding zo goed mogelijk te voorkomen door het
optimale onderzoeksdesign te kiezen.
Vraag: Wat is de juiste rangorde van de hieronder genoemde onderzoeksdesigns, in
toenemende mate van interne validiteit?
a. Cohortonderzoek- dwarsdoorsnede onderzoek- patiënt-controle onderzoek
b. Patiënt-controleonderzoek- cohortonderzoek- dwarsdoorsnedeonderzoek
c. Dwarsdoorsnedeonderzoek- patiënt-controleonderzoek- cohortonderzoek
4. Gegeven: De mogelijkheid om onderzoeksresultaten te kunnen vertalen naar een populatie
anders dan de onderzochte populatie is een kwaliteitsaspect, hetgeen met de validiteit te
maken heeft.
Vraag: wat wordt hier in het bijzonder mee bedoeld?
a. Interne validiteit
b. Externe validiteit
c. Inhoudsvaliditeit
, 5. Welke onderstaande beweringen over informatiebias is juist?
a. Als fouten in de bloodstellingsmeting voor patiënten en controles in een patiënt-controle
onderzoek even groot zijn, dan is er sprake van differentiële misclassificatie.
b. Blinderen van patiënten en onderzoekers vergroot de kans op differentiële
misclassificatie in een gerandomiseerde placebo-gecontroleerde trial.
c. Recall bias (herinneringsbias) in een retrospectief patiënt-controleonderzoek is een
voorbeeld van differentiële misclassificatie van de blootstelling.
6. Gegeven: de rol van kwalitatief onderzoek is veelzijdig.
Vraag: Welke van de onderstaande vragen is juist?
a. Vorming van een theoretisch kader vormt het doel van de gefundeerde
theoriebenadering.
b. In kwalitatief onderzoek vindt geen toetsing plaats
c. Theorie moet altijd het uitgangspunt zijn van een kwalitatief wetenschappelijk
onderzoek.
7.
a. De gevonden OR was een omkering van de werkelijke OR
b. De gevonden OR was een onderschatting van de werkelijke OR
c. De gevonden OR was een overschatting van de werkelijke OR
8. Gegeven: er zijn verschillende vormen van kwalitatief onderzoek te onderscheiden. Een van
die vormen wordt genoemd de methode van “grounded theory”, oftewel de gefundeerde
theoriebenadering.
Vraag: welke onderstaande stelling is onjuist?
a. Grounded theory vindt plaats volgens de methode van de constante vergelijking
b. Bij grounded theory wordt vooraf een theoretisch kader geëxpliciteerd.
c. Bij grounded theory zijn “sensitizing concepts” deel van de voorbereiding en analysefase.
9. Gegeven: de gerandomiseerde gecontroleerde trial wordt doorgaans gezien als het beste
onderzoeksdesign.
Vraag: de methodologische pluspunten van dit onderzoeksdesigns leiden met name tot:
a. Interne validiteit voor causale relaties