3 Gedrag beschrijven
Onder gedrag valt alles wat een dier of mens doet. Gedrag is vaak gericht op het
handhaven of verbeteren van de fysiologische toestand of omgevingssituatie van dieren en
mensen. Kort gezegd: gedrag is gericht op overleving en voortplanting. Gedrag dat de
overlevingskansen en fitness van een dier vergroot heet adequaat gedrag.
Gedrag bestaat uit handelingen, ook wel gedragselementen genoemd. Bij de meeste
handelingen reageert een dier op prikkels. Reacties op deze prikkels worden respons
genoemd. Een etholoog verzamelt gegevens over de prikkels en hoe een dier hierop
reageert. Hij kijkt niet naar wat inwendige
oorzaken, dit wordt de black box genoemd.
Door de in- en output te bestuderen kan een
etholoog conclusies trekken over de processen binnen het dier. Door middel van MRI kan
hersenactiviteit worden vastgelegd tijdens het uitvoeren van handelingen.
Handelingen met een gemeenschappelijk doel vormen samen
een gedragssysteem, zoals voedingsgedrag. Als het effect
van de ene handeling leidt tot een volgende handeling, spreek
je van een gedragsketen. Balts is een onderdeel van
voortplantingsgedrag en is hier een subsysteem
(samenhangende groep van handelingen die deel uitmaakt
van een gedragssysteem) van. Broedzorg is de zorg van
ouderdieren voor nakomelingen.
Binnen de ethologie zijn objectieve beschrijvingen erg
belangrijk. Een objectieve beschrijving van verschillende
handelingen van een dier heet een ethogram. Hiermee kun je
het gedrag van een dier bestuderen. Een protocol is een lijst
van waargenomen handelingen bij een dier. Hierbij hou je per
minuut bij wat een dier allemaal doet met behulp van een
ethogram. Met een protocol kun je vervolgens
onderzoeksvragen beantwoorden.
4 Vorming van gedrag
Erfelijke eigenschappen → aangeboren zoals ademen.
Aangeleerde eigenschappen → uit ervaring zoals schrijven.
De vorming van gedrag hangt af van het soort prikkel. Zo geeft een interne prikkel aan of
een dier honger heeft en zorgt een externe prikkel voor de veiligheid. Ook de fysiologie,
anatomie en de ontwikkelingsfase beïnvloeden het gedrag.
Door één of meer handelingen verandert het interne of externe milieu van een dier, waarna
een nieuwe handeling kan ontstaan. Dit is een vorm van terugkoppeling. Gedrag bestaat dus
uit aangeboren, aangeleerde en eventueel nieuwe handelingen, dit adequaat gedrag
vergroot de overlevingskansen.
Onder gedrag valt alles wat een dier of mens doet. Gedrag is vaak gericht op het
handhaven of verbeteren van de fysiologische toestand of omgevingssituatie van dieren en
mensen. Kort gezegd: gedrag is gericht op overleving en voortplanting. Gedrag dat de
overlevingskansen en fitness van een dier vergroot heet adequaat gedrag.
Gedrag bestaat uit handelingen, ook wel gedragselementen genoemd. Bij de meeste
handelingen reageert een dier op prikkels. Reacties op deze prikkels worden respons
genoemd. Een etholoog verzamelt gegevens over de prikkels en hoe een dier hierop
reageert. Hij kijkt niet naar wat inwendige
oorzaken, dit wordt de black box genoemd.
Door de in- en output te bestuderen kan een
etholoog conclusies trekken over de processen binnen het dier. Door middel van MRI kan
hersenactiviteit worden vastgelegd tijdens het uitvoeren van handelingen.
Handelingen met een gemeenschappelijk doel vormen samen
een gedragssysteem, zoals voedingsgedrag. Als het effect
van de ene handeling leidt tot een volgende handeling, spreek
je van een gedragsketen. Balts is een onderdeel van
voortplantingsgedrag en is hier een subsysteem
(samenhangende groep van handelingen die deel uitmaakt
van een gedragssysteem) van. Broedzorg is de zorg van
ouderdieren voor nakomelingen.
Binnen de ethologie zijn objectieve beschrijvingen erg
belangrijk. Een objectieve beschrijving van verschillende
handelingen van een dier heet een ethogram. Hiermee kun je
het gedrag van een dier bestuderen. Een protocol is een lijst
van waargenomen handelingen bij een dier. Hierbij hou je per
minuut bij wat een dier allemaal doet met behulp van een
ethogram. Met een protocol kun je vervolgens
onderzoeksvragen beantwoorden.
4 Vorming van gedrag
Erfelijke eigenschappen → aangeboren zoals ademen.
Aangeleerde eigenschappen → uit ervaring zoals schrijven.
De vorming van gedrag hangt af van het soort prikkel. Zo geeft een interne prikkel aan of
een dier honger heeft en zorgt een externe prikkel voor de veiligheid. Ook de fysiologie,
anatomie en de ontwikkelingsfase beïnvloeden het gedrag.
Door één of meer handelingen verandert het interne of externe milieu van een dier, waarna
een nieuwe handeling kan ontstaan. Dit is een vorm van terugkoppeling. Gedrag bestaat dus
uit aangeboren, aangeleerde en eventueel nieuwe handelingen, dit adequaat gedrag
vergroot de overlevingskansen.