2.1.1 De markt
De markt is totaal tussen de vragers en de aanbieders ten aanzien van een bepaald product. De
markt zorgt voor prijsvorming van een product.
Vragers zullen sneller producten inkopen die onder de marktprijs liggen. Ook is de marktprijs handig
voor ondernemers hiermee kunnen ze bepalen welke producten de onderneming het best kan
maken.
Een markt wordt beschreven door te kijken naar de geografische grenzen en de definitie van het
product. Een markt valt altijd onder de volgende geografische grenzen:
Wereld markt. Op de wereld markt zijn er vragers en aanbieders van de over de gehele
wereld. De goederen worden vaak verhandelt via beurzen. Voorbeelden van producten die
op de wereld markt worden verkocht zijn olie en graan.
Lokale markt. Op de lokale markt zijn de aanbieders erg afhankelijk van de afnemers.
Voorbeeld hiervan is een horeca.
Nationale markt. De markt is precies een land, vaak heeft dit te maken met het feit dat er in
verschillende landen verschillende wetgeving is. Voorbeeld hiervan zijn
ziektekostenverzekeraars.
Ook is er de relevante markt. De relevante markt is het deel van de markt dat in bezit is van een
onderneming.
2.1.2 Het product
Op de markt is een product moeilijk te omschrijven. Neem het voorbeeld van de markt “chocolade”.
Binnen deze markt vallen producten zoals melk chocolade en hazelnoot chocolade. Deze groepen
binnen de markt noem je de productgroep. Binnen deze productgroepen zijn vaak verschillende
merken die het product aanbieden. Dit zijn de productkenmerken.
2.2 Bedrijfstak en bedrijfskolom
Een bedrijfstak bestaat uit bedrijven die dezelfde soort producten maken met de zelfde soort
productieprocessen.
2.2.1 bedrijfstak
Binnen een bedrijfstak zijn vaak de productieprocessen en de grondstoffen voor deze processen
hetzelfde. Echter is de markt waarop een bedrijf een product vaak anders. Een onderneming hoeft
niet perse op een markt te zitten. Een bedrijfstak produceert daarom meestal voor een groep of
markten. Ook kan een onderneming tot meerdere bedrijfstakken behoren.
Een concurrentiepositie is een positie van bedrijf ten opzichten van concurrenten. Vaak hebben
grotere bedrijven een betere concurrentie positie dan kleine bedrijven.
2.2.2 Classificatie van bedrijven
In de NACE worden alle productieve activiteiten van bedrijven en overheden ingedeeld in
eenentwintig secties. Echter in het tentamen zijn alleen de sectors van belang en een grof idee van
welk bedrijf onder welke sector valt.
, De volgende sectors zijn van belang:
Primaire sector. Alles waarbij grondstoffen uit de grond worden gehaald is hierbij van belang.
Voorbeelden hiervan zijn mijnbouw en visserij. Let op winning van delfstoffen vallen hier
niet onder.
Secundaire sector. Hier wordt het product verwerkt vanuit de primaire sector. Denk hierbij
aan industrie en fabrieken. Let op ondanks dat delfstof grondstoffen uit de grond haalt valt
het toch onder de secundaire sector.
Tertiaire sector. Hieronder vallen ondernemingen die producten of diensten verkopen met
als doel winst te maken. Denk hierbij aan detailhandels en winkels.
Quartaire sector. Hieronder vallen ondernemingen die producten of diensten verkopen maar
geen winst proberen te maken. Denk hierbij aan scholen en ziekenhuizen.
2.2.3 bedrijfskolom
Voor dat een product verkocht wordt aan de consument gaat het vanaf het oerproduct tot aan het
verkoopproduct door verschillende bedrijfstakken. Alle verschillende bedrijfstakken waar het
product door gaat heten samen de bedrijfskolom. In de bedrijfskolom staan alle bedrijfstakken op
volgorde van oerproduct (boven aan) tot eindproduct (onderaan).
Alle bedrijfstakken voegen een waarde toe aan het product. Dit wordt ook wel het waardesysteem
genoemd. Een waardesysteem is steeds in verandering. Tegenwoordig hoe dichter de bedrijfstak bij
de consument/eindproduct staat hoe meer macht deze bedrijfstakken hebben. Dit komt door de
volgende redenen:
Vroegere segmentatie (opdelen) van markten.
Meer financiële mogelijkheden om informatie te verzamelen of te kopen.
2.3 Economische orde
2.3.1 Waarden, normen en instituties
Waarden zijn doelen voor menselijk handelen. Vaak is dit een woord. Voorbeelden hiervan zijn
respect en gelijkheid. Binnen het woord waarden zijn er drie opsplitsingen:
Collectieve waarden. Als veel mensen dezelfde waarden hebben. Voorbeeld is respect.
Zedelijke waarden. Hoe en wat voor mens we zijn. Voorbeelden hiervan zijn vrijheid
gelijkheid en solidariteit.
Economische waarden. Economische waarden hebben te maken met de economie.
Voorbeelden hiervan zijn werkgelegenheid en rentabiliteit.
Een norm is een regel gebaseerd op een waarde. Bijvoorbeeld wanneer een waarde respect is. De
norm kan dan zijn, Ik spreek oudere mensen met u aan.
Zowel de wet en regelgeving als de instellingen die ze opstellen en uitvoeren noemen we instituties.
Voorbeeld hiervan is een gevangenis.
2.3.2 Markt en regulering
Markten verschillen erg van elkaar. Op sommige speelt prijsvorming een belangrijke terwijl op
andere regelgeving een belangrijke rol speelt.
De markt is totaal tussen de vragers en de aanbieders ten aanzien van een bepaald product. De
markt zorgt voor prijsvorming van een product.
Vragers zullen sneller producten inkopen die onder de marktprijs liggen. Ook is de marktprijs handig
voor ondernemers hiermee kunnen ze bepalen welke producten de onderneming het best kan
maken.
Een markt wordt beschreven door te kijken naar de geografische grenzen en de definitie van het
product. Een markt valt altijd onder de volgende geografische grenzen:
Wereld markt. Op de wereld markt zijn er vragers en aanbieders van de over de gehele
wereld. De goederen worden vaak verhandelt via beurzen. Voorbeelden van producten die
op de wereld markt worden verkocht zijn olie en graan.
Lokale markt. Op de lokale markt zijn de aanbieders erg afhankelijk van de afnemers.
Voorbeeld hiervan is een horeca.
Nationale markt. De markt is precies een land, vaak heeft dit te maken met het feit dat er in
verschillende landen verschillende wetgeving is. Voorbeeld hiervan zijn
ziektekostenverzekeraars.
Ook is er de relevante markt. De relevante markt is het deel van de markt dat in bezit is van een
onderneming.
2.1.2 Het product
Op de markt is een product moeilijk te omschrijven. Neem het voorbeeld van de markt “chocolade”.
Binnen deze markt vallen producten zoals melk chocolade en hazelnoot chocolade. Deze groepen
binnen de markt noem je de productgroep. Binnen deze productgroepen zijn vaak verschillende
merken die het product aanbieden. Dit zijn de productkenmerken.
2.2 Bedrijfstak en bedrijfskolom
Een bedrijfstak bestaat uit bedrijven die dezelfde soort producten maken met de zelfde soort
productieprocessen.
2.2.1 bedrijfstak
Binnen een bedrijfstak zijn vaak de productieprocessen en de grondstoffen voor deze processen
hetzelfde. Echter is de markt waarop een bedrijf een product vaak anders. Een onderneming hoeft
niet perse op een markt te zitten. Een bedrijfstak produceert daarom meestal voor een groep of
markten. Ook kan een onderneming tot meerdere bedrijfstakken behoren.
Een concurrentiepositie is een positie van bedrijf ten opzichten van concurrenten. Vaak hebben
grotere bedrijven een betere concurrentie positie dan kleine bedrijven.
2.2.2 Classificatie van bedrijven
In de NACE worden alle productieve activiteiten van bedrijven en overheden ingedeeld in
eenentwintig secties. Echter in het tentamen zijn alleen de sectors van belang en een grof idee van
welk bedrijf onder welke sector valt.
, De volgende sectors zijn van belang:
Primaire sector. Alles waarbij grondstoffen uit de grond worden gehaald is hierbij van belang.
Voorbeelden hiervan zijn mijnbouw en visserij. Let op winning van delfstoffen vallen hier
niet onder.
Secundaire sector. Hier wordt het product verwerkt vanuit de primaire sector. Denk hierbij
aan industrie en fabrieken. Let op ondanks dat delfstof grondstoffen uit de grond haalt valt
het toch onder de secundaire sector.
Tertiaire sector. Hieronder vallen ondernemingen die producten of diensten verkopen met
als doel winst te maken. Denk hierbij aan detailhandels en winkels.
Quartaire sector. Hieronder vallen ondernemingen die producten of diensten verkopen maar
geen winst proberen te maken. Denk hierbij aan scholen en ziekenhuizen.
2.2.3 bedrijfskolom
Voor dat een product verkocht wordt aan de consument gaat het vanaf het oerproduct tot aan het
verkoopproduct door verschillende bedrijfstakken. Alle verschillende bedrijfstakken waar het
product door gaat heten samen de bedrijfskolom. In de bedrijfskolom staan alle bedrijfstakken op
volgorde van oerproduct (boven aan) tot eindproduct (onderaan).
Alle bedrijfstakken voegen een waarde toe aan het product. Dit wordt ook wel het waardesysteem
genoemd. Een waardesysteem is steeds in verandering. Tegenwoordig hoe dichter de bedrijfstak bij
de consument/eindproduct staat hoe meer macht deze bedrijfstakken hebben. Dit komt door de
volgende redenen:
Vroegere segmentatie (opdelen) van markten.
Meer financiële mogelijkheden om informatie te verzamelen of te kopen.
2.3 Economische orde
2.3.1 Waarden, normen en instituties
Waarden zijn doelen voor menselijk handelen. Vaak is dit een woord. Voorbeelden hiervan zijn
respect en gelijkheid. Binnen het woord waarden zijn er drie opsplitsingen:
Collectieve waarden. Als veel mensen dezelfde waarden hebben. Voorbeeld is respect.
Zedelijke waarden. Hoe en wat voor mens we zijn. Voorbeelden hiervan zijn vrijheid
gelijkheid en solidariteit.
Economische waarden. Economische waarden hebben te maken met de economie.
Voorbeelden hiervan zijn werkgelegenheid en rentabiliteit.
Een norm is een regel gebaseerd op een waarde. Bijvoorbeeld wanneer een waarde respect is. De
norm kan dan zijn, Ik spreek oudere mensen met u aan.
Zowel de wet en regelgeving als de instellingen die ze opstellen en uitvoeren noemen we instituties.
Voorbeeld hiervan is een gevangenis.
2.3.2 Markt en regulering
Markten verschillen erg van elkaar. Op sommige speelt prijsvorming een belangrijke terwijl op
andere regelgeving een belangrijke rol speelt.