Artikel 1: Orthopedagogiek en haar vraagstelling
Ortho = ‘recht’ of ‘correct’.
Orthopedagogiek gaat over de ‘scheve’ of niet goedlopende opvoeding, welke
‘recht’ getrokken moet worden.
‘Development gone awry’ (Vertaling = ontwikkeling die scheef is gegaan) is
een ‘neutrale’ term om het proces van de afwijkende ontwikkeling te
omschrijven.
Het doel van ‘orthopedagogisch handelen’ stemt overeen met de
pedagogiek, namelijk: ‘’Iemand helpen om zich optimaal te ontplooien, zodat
deze zo zelfstandig mogelijk leert functioneren in de maatschappij’’.
De theorie van Kok: ‘Specifiek opvoeden’ Ieder kind maakt zijn eigen
ontwikkeling door, als dan niet met haar eigen ‘scheefgroei’ en heeft daardoor
een unieke aanpak nodig (= MAATWERK).
In zijn ‘gedrag’ geeft het kind aan waar het orthopedagogisch handelen gewenst
en noodzakelijk is (dit noemt Kok: ‘’de orthopedagogische vraagstelling’’).
Volgens Kok moeten ‘de aanwijzingen’ gevonden worden in:
Het ontwikkelingsverloop van het kind.
Het opvoeden van de opvoeder.
De bijkomende omstandigheden die dit opvoedingsproces beïnvloeden.
De onderlinge wisselwerking en aansluiting.
‘Scheefgroei’ is niet per definitie de oorzaak om orthopedagogisch in te grijpen
binnen een gezin. Met ‘hele normale kinderen’ kan het misgaan in het leven,
wanneer er sprake is van een problematische situatie bij ouders of bij een bepaalde
handelsverlegenheid bij ouders.
Kortom: Een stoornis (psychologie) of een psychopathologie (psychiatrie) zijn
niet altijd de oorzaak van een ‘Problematische Orthopedagogische
Vraagstelling’ (POS).
Ontwikkelingsstoornissen worden (volgens Sleutel) slechts tot het object van de
orthopedagogiek gerekend voor zover ze een belemmering vormen voor de
opvoeding of aan opvoedingsproblemen gerelateerd zijn.
Hulpverleningsmodel = Een denkwijze waar vanuit men tracht mensen in
probleemsituaties zo goed mogelijk te analyseren en de problemen te verhelpen.
1. Het medisch model: binnen dit model wordt er aangenomen dat het probleem
primair ‘fysiologisch’ (= lichamelijk) is en dat de oplossing gezocht dient te worden
via een medische behandeling, zoals medicatie.
Focus op de ‘etiologie’ (= fysiologische oorzaak) van een probleem, om dit
vervolgens te corrigeren.
Afwijkend gedrag wordt veelal verklaart vanuit een defect in het centraal
zenuwstelsel of aan het disfunctioneren van de hersenen.
2. Het sociologisch model: binnen dit model worden oorzaken van
probleemgedrag gezocht in de normaliserende maatschappelijke structuren.
‘Omgevingsfactoren’ zijn bepalend voor iemands gedrag: milieu-, sociale en
economische omstandigheden zijn oorzaken van gedrag.
Zij streven naar veranderingen op ‘maatschappelijk niveau’.
, Vandaag de dag vinden we vaak opiniestukken in de media, die roepen om
ouders te straffen (middels bijvoorbeeld het inhouden van kinderbijslag of
uitkering) voor de daden van hun kinderen (= ‘Parent Blaming’).
3. Het psychoanalytisch model: binnen dit model wordt afwijkend gedrag gezien
als een onverwerkt psychisch conflict. Alhoewel ook latere gebeurtenissen van
invloed zijn, gaat dit model er vanuit dat problemen veelal stammen uit ‘de
kindertijd’.
Het driftmodel stelt dat de mens wordt voortgedreven door seksuele en
agressieve driften. Driften zijn: ‘blinde, aangeboren, biologische krachten’
(het ‘es’ ofwel het ‘id’).
Driften dienen een directe behoeftebevrediging (zoals een hongerige baby
die melk wil), en om de frustratie van het niet direct verkrijgen van zo’n
behoeftebevrediging, moet een kind een ‘IK’, een ‘ego’ ontwikkelen die het ‘es’
de baas is.
Een 3e structuur die wordt ontwikkelt is het ‘superego’ (= het geweten), die
wordt opgebouwd vanuit door de omgeving opgelegde geboden en verboden.
4. Het leertheoretische model: volgens dit model is elk gedrag een reactie of
consequentie op situaties. Opvoedingsproblemen zouden een reflectie zijn op
het ‘inadequaat’ opvoeden (het gedrag van het kind is foutief aangeleerd).
Om het gedrag van het kind te veranderen zou er middels ‘therapie’ nieuw
gedrag moeten worden aangeleerd en/of gedrag moeten worden afgeleerd
(operant conditioneren & straffen/belonen).
5. Het interactiemodel: binnen dit model wordt het individu beschouwd als een deel
van ‘een systeem’. Het systeem (bv. gezin) vormt een eenheid, die met elkaar
interacteren en elkaar continu beïnvloeden.
De oorzaak van gedragsproblemen zijn niet toe te schrijven aan één individu,
maar moet worden gezocht binnen de interactie tussen personen (binnen de
relaties tussen personen).
6. Het humanistisch model: binnen dit model wordt de rol van het individu
benadrukt. De ‘subjectiviteit’ (= persoonlijke mening) staat centraal.
Belevingen en gedrag worden door de persoon zelf veroorzaakt en niet door iets
buiten hem, zoals stimuli en beloningen.
Dit model gaat uit van een ‘holistisch mensvisie’ (= het ziet de mens niet als een
psychosociosomatische eenheid). Psycho slaat in dit geval op ‘cognitieve’ en
‘affectieve’ aspecten binnen een individu, socio op zijn relaties met de directe
omgeving, en somatisch op zijn lichamelijke status.
Het humanistisch model benadrukt de ontwikkeling die een persoon
doormaakt. Wanneer er sprake is van ‘gedragsproblemen’ wordt er
verondersteld dat de processen met betrekking tot ‘voelen’, ‘denken’ en
‘handelen’ vastgelopen zijn. In zo’n geval laat een persoon in zijn
communicatie of gedrag aan anderen zien wat hij zelf op dat moment ervaart.
Moderne tijden:
Risicofactor = een gebeurtenis, omstandigheid of eigenschap, waarvan bekend
is dat er een statistisch grotere kans op een (soms veel later optredend)
probleem in de ontwikkeling van het kind mee geassocieerd is. Opmerkelijk is
dat ‘het aantal’ en niet zozeer ‘de aard’ of ‘omvang’ van de meegemaakte
gebeurtenissen van belang is (= het principe van ‘ cumulatie’).