Le futur proche (nabije toekomende tijd) → als je wilt zeggen dat iets binnen zeer korte
tijd gaat plaatsvinden. De futur proche bestaat uit werkwoord aller + het hele
werkwoord (de infinitief).
Aller:
je vais Je vais acheter des fleurs. → Ik ga bloemen kopen.
tu vas Tu vas contacter le prof. → Jij gaat contact opnemen met de leraar.
il/elle/on va Il/Elle/On va devenir malade. → Hij/ZIj/Men gaat ziek worden.
nous allons Nous allons gagner le match. → Wij gaan de wedstrijd winnen.
vous allez Vous allez habiter ici. → Jullie gaan/ U gaat hier wonen.
ils/elles vont Ils/Elles vont parler à Monique. --> Zij gaan met Monique praten.
Le futur (toekomende tijd) → om aan te geven dat iets in de toekomst gaat gebeuren.
In het Nederlands maak je met het hulpwerkwoord zullen. In het Frans komt er een
uitgang achter het hele werkwoord (de infinitief). Bij werkwoorden die eindigen op -re
zoals pedre vervalt de -e. Le futur bestaat uit het hele werkwoord + ai,as,a,ons,ez,ont.
ai Je finirai mon travail à huit heures. → Ik zal mijn werk om acht uur beëindigen.
Je contacterai ton prof. → Ik zal contact opnemen met je leraar.
as Tu perdras ton argent. → Jij zult/zal je geld verliezen.
Tu gagneras le match. → Je zult/zal de wedstrijd winnen.
a Il/Elle/On ouvrira la porte. → Hij/Zij/Men zal de deur opendoen.
ons Nous retournons à la maison. → Wij zullen terugkeren naar huis.
ez Vous rendez le livre. → Jullie zullen/ U zult het boek teruggeven.
ont Ils/Elles visiteront le musée. → Zij zullen het museum bezoeken.
Onregelmatige werkwoorden écrire en devoir
Présent:
J’écris ik schrijf Je dois ik moet
Tu écris Tu dois
Il/Elle/On écrit Il/Elle/On doit
Nous écrivons Nous devons
Vous écrivez Vous devez
Ils/Elles écrivent Ils/Elles doivent
Passé composé: Het hulpwerkwoord (avoir/être) is altijd vervoegd.
Dus de passé composé = hulpwerkwoord + voltooid deelwoord.
J’ai écrit J’ai dû
Imparfait: Futur: Zie de uitleg bij Le Futur
ais (ik) J’écrivais Je devais J’écrirai Je devrai
ais (jij)
ait (hij)
ait (zij)
ait (men)
ions (wij)
iez (jullie)
aient (zij)
aient (zij)
, Il faut → Geeft aan dat iets moet of dat iets nodig is. Betekenis hangt af van de context
Il faut travailler. → We/Jullie enz. moeten werken.
Het zelfstandig naamwoord - meervoud → krijgt een -s.
La fleur- Les fleurs
Bijzondere gevallen die eindigen op -s, -z of -x veranderen niet.
Le prix Les prix De prijs
Le nez Les nez De neus
Le cas Les cas Het geval
Woorden met -al, -eau of -eu eindigen krijgen een -x in het meervoud (al → aux)
Le journal Les journaux De krant
Le cadeau Les cadeaux Het cadeau
Le jeu Les jeux Het spel
Sommige hebben onregelmatig meervoud:
L’œil Les yeux Het oog
Le genou Les genoux De knie
Woorden die alleen in het meervoud bestaan:
Les devoirs Het huiswerk
Les vacances De vakantie
Les lunettes De bril
- Hoofdstuk 2:
Onregelmatige werkwoorden:
Futur van avoir en être
Avoir: Hebben Être: Zijn
J’aurai Ik zal hebben Je serai Ik zal zijn
Tu auras Tu seras
Il/Elle/On aura Il/Elle/On sera
Nous aurons Nous serons
Vous aurez Vous serez
Ils/Elles auront Ils/Elles seront
Futur van andere onregelmatige werkwoorden:
Faire Doen/Maken Je ferai Ik zal doen
Aller Gaan J’irai Ik zal gaan
Vouloir Willen Je voudrai Ik zal willen
Pouvoir Kunnen Je pourrai Ik zal kunnen
Venir Komen Je viendrai Ik zal komen
Voir Zien Je verrai Ik zal zien